Aardbeikikker voert eigen eieren aan opgroeiende larven

De meeste kikkerouders hebben het maar makkelijk. Ze zetten hun eieren ergens op een blad af en laten het kroost verder aan zijn lot over.

Daarnaast komen biologen echter vooral in de tropen steeds meer complexe vormen van broedzorg tegen. Een speciaal geval is de aardbeikikker Dendrobates pumilio. Vrouwtjes van deze soort komen hun opgroeiende larven regelmatig opzoeken en voeren ze met onbevruchte eieren.De aardbeikikker is inderdaad niet groter dan een aardbei, zo'n 12 tot 15 millimeter. Hij is te vinden in het Zuidamerikaanse regenwoud, van Panama tot Nicaragua. Hij behoort tot de tropische familie der pijlgifkikkers, die zo'n 200 soorten telt, verdeeld over vijf geslachten. Daarbij blijken juist de felgekleurde, zeer giftige soorten toegewijde ouders.

Na de eileg verzorgt een van beide ouders, meestal de vader, het broed door water te halen om het nat te houden. Later draagt hij de kikkervisjes op zijn rug naar het water. Het feit dat ze hun eieren op het land afzetten, maakt dat deze kikkersoorten ook een heel apart voortplantingsgedrag vertonen. In de meeste gevallen zijn de mannetjes territoriaal. Luid kwakend lokken ze de vrouwtjes. Samen zoeken ze dan een geschikte plek om eieren af te zetten. Bij twee geslachten zie je nog dat ze tijdens de paring elkaars kop omklemmen als overblijfsel van de bij andere kikkersoorten zo karakteristieke omhelzing. Bij andere soorten voltrekt zich een heel ritueel van bewegingen, die ermee eindigen dat het mannetje zijn zaad afzet, waarmee hij de uitverkoren plek bevochtigt. Terwijl het vrouwtje daar haar eieren afzet, snelt hij terug naar het water om zich vol te zuigen, keert weer terug, maakt de eieren nat en bevrucht ze alsnog.

Het speciale aan de aardbeikikker is, dat de samenwerking tussen beide ouders hierna nog voortduurt. Het mannetje zoekt de eieren regelmatig op om ze nat te maken. Daarna lokt hij luid roepend zijn wederhelft. Na twaalf tot veertien dagen is zij steeds vaker bij het legsel te vinden. Zodra een kikkervisje uit het ei kruipt, klimt het op haar rug en wordt overgebracht naar de vochtige bladoksel van een plant, meestal een ananassoort. Een tot tweemaal per week keert de moeder terug om bij haar jong een paar onbevruchte eieren af te zetten. Het jong op zijn beurt zwemt dan in grote, opvallende kringen rond, raakt zijn moeder steeds opnieuw aan en stimuleert daarmee blijkbaar de eileg. Er wordt heel wat in zo'n kikkervisje genvesteerd. In de loop van zijn acht weken durende ontwikkeling verorbert hij tussen de twintig en de veertig eieren.

Concurrerende aardbeikikkermannetjes vechten niet alleen, maar vreten ook elkaars broed weg. Het vrouwtje komt gedurende de acht weken dat ze haar broed verzorgt, niet aan paren toe. Door haar broed weg te vreten, kan het mannetje zorgen dat een vrouwtje eerder weer paringsbereid wordt en ditmaal haar eieren door hèm laat bevruchten.

Het broedgedrag is precies afgestemd op het "onderdak', de ananasplant. Door de jongen te spreiden kan de aardbeikikker zelfs de kleinste bladoksels, waar soms maar een milliliter water in staat, nog benutten. In zo'n klein "poeltje' is weinig voedsel voorhanden en dan is bijvoeren de ideale oplossing. Duitse biologen hebben hier zo'n tien jaar geleden al terrarium-waarnemingen aan gedaan, onlangs zijn die door Amerikaanse collega's in de vrije natuur bevestigd. (Forschung-Mitteilungen der Deutsche Forschungsgemeinschaft).