Utrechters vieren vakantie

AMSTERDAM, 7 JULI. De lang verwachte en voorspelde verlaging van de officiële Duitse rentetarieven heeft op 1 juli plaatsgevonden. De ruimte die de valuta- en obligatiemarkt bood, is met beide handen aangegrepen door de Bundesbank. De rentestap vond, zoals verwacht, navolging in vele andere Europese landen.

De markten reageerden toch enigszins verrassend. Ondanks de veelal beperktere rentedalingen in andere landen, kwam de D-mark versterkt te voorschijn uit deze ronde. Donderdag jongstleden was de koers van de D-mark nog 1,1216 gulden, na de renteverlaging noteerde de D-mark 1,1231 gulden. Binnen het EMS verbeterde de munt ten opzichte van alle deelnemende valuta's. De rentemarkten gaven ook enige relatieve verbetering te zien voor de Duitse waarden. Zo verkleinde de spread tussen Nederland en Duitsland voor bijvoorbeeld het rendement op 10 jaars papier van 22 basispunten op donderdag naar 17 basispunten op maandag, ten faveure van het eerste land.

Blijkbaar heeft deze ronde renteverlagingen het aanzien van de Bundesbank en van de D-mark in het Europese monetaire krachtenveld weer wat meer cachet gegeven. Ook de economische ontwikkelingen in Duitsland dragen hieraan bij. De gunstige ontvangst van het pakket overheidsmaatregelen ter beteugeling van het oplopende financieringstekort heeft daar ongetwijfeld aan meegewerkt. Ook de "zwaluwen' in de vorm van de opnieuw gestegen orderontvangsten, de ontwikkeling van de industriële produktie en positieve berichten van de Bundesbank over de inflatie dragen hiertoe bij. In dit licht moet een verdere zelfstandige verlaging van de rentetarieven in Nederland, anders dan uit puur technische overwegingen, worden betwijfeld. De ruimte hiervoor is flink afgenomen. Verdere rentestappen zijn aldus in grotere mate dan voorheen afhankelijk van de economische en monetaire ontwikkelingen in Duitsland. Nu de Europese monetaire verhoudingen weer wat genormaliseerd zijn, zal een dergelijk besluit van de Bundesbank vooral geënt zijn op overwegingen betreffende de geldgroei, de inflatie en het verloop van de kapitaalmarktrente. Overigens moet wel rekening worden gehouden met een puur technische verlaging van de officiële tarieven in ons land, indien, bijvoorbeeld als gevolg van een verlaging van de Duitse Repo-rente, de beleningsrente (nu 6,7 procent) op de voorschotrente (6,5 procent) dreigt te belanden.

Opvallend in de afgelopen verslagweek is dat het tarief voor het daggeld relatief hoog is gebleven ten opzichte van de beleningsrente. Maandag 4 juli bedroeg dit 6,87 procent. Dit ondanks het gegeven dat er geen onverwachte gebeurtenissen op de geldmarkt plaats vonden. De Staat kon, zoals verwacht, via de gende belastinggelden haar schulden bij DNB (financieringsarrangement en voorschotten) aflossen. Er bleef voldoende geld over om, na de reeds bekende betalingen voor rente en aflossing op staatsleningen, circa 2,3 miljard gulden in de schatkist te storten. Deze voorziene verkrappende effecten op de geldmarkt van 6,1 miljard gulden werden geaccomodeerd door een verlaging van de kasreserve. Het geldmarkttekort liep per saldo op met slechts 0,5 miljard gulden. De vrij hoge daggeldtarieven wijzen er in een dergelijke situatie op dat het geldmarkttekort niet evenwichtig over de geldmarktpartijen is gespreid.

De weekstaat laat tevens zien dat de vakanties zijn begonnen. De toeneming van de post bankbiljetten in omloop met 330 miljoen gulden moet worden toegeschreven aan de zomervakantie. De inwoners van de provincie Utrecht zijn als eerste met ingang van deze week op vakantie gegaan en hebben daartoe flink wat bankbiljetten in de bagage meegenomen.

Bron: Economisch Bureau ING Bank