Toekomst hockey in handen van Aziaten

KUALA LUMPUR, 7 JULI. De hockeysport heeft een probleem dat alleen maar groter dreigt te worden. Sinds jaren wordt de dienst uitgemaakt door dezelfde, kleine groep landen: Australië, Duitsland, Nederland, Pakistan en in mindere mate het enigszins weggezakte Engeland. En in die situatie zal voorlopig geen verandering komen. India, eens een fier koploper, is ver teruggezakt en lijkt de strijd voorlopig te hebben opgegeven. De grote aanval van Argentinië was maar van tijdelijke aard, Spanje heeft niet voldoende opvolging voor de oude garde en in Rusland wordt er nauwelijks meer serieus gehockeyed.

Het hockey kan een impuls in de vorm van een nieuwkomer aan de top, zoals in het voetbal bij het laatste WK Kameroen, best gebruiken. Dat ziet de internationale federatie FIH ook wel in. Door de organisatie van het vijftiende toernooi om de Champions Trophy aan Maleisië toe te wijzen gaf men dat land, slechts negende bij de laatste Olympische Spelen, een wild card voor dit elite-evenement. De openingswedstrijd tegen Nederland maakte echter duidelijk dat Maleisië nog veel te kort komt.

Toch ligt de toekomst van het hockey in handen van de Aziaten. In Azië wordt zonder enige twijfel het meest aantrekkelijk spel gespeeld, ouderwets gedurfd en technisch begaafd. Wie de kunsten met bal en stick van een hockeyer als Ahmad Shahbaz, de Pakistaanse captain, aanschouwt moet wel onder de indruk raken. Om iemand warm te krijgen voor hockey moet je iemand geen beelden voorschotelen van, pakweg, Duitsland-Nederland.

Het grote probleem van de Aziaten is echter de organisatie van de sport. Daarin gedragen ze zich als beginnelingen. Niet voor niets blijft Azië qua sportprestaties ver achter bij Europa, Amerika en Australië. Onder andere de opleiding van de jeugd is zeer gebrekkig. Als dat in het hockey niet snel verandert voorspelt Terry Walsh, de Australische bondscoach van Maleisië, de dood van het Aziatische hockey. Hij is pessimistisch gestemd. Walsh doet in Maleisië zijn uiterste best om de zaken te organiseren, maar het is meestal vechten tegen de bierkaai. Dat ervaart de voormalige tophockeyer als frusterend. Hij is er namelijk van overtuigd dat met voldoende geld en een behoorlijke organisatie Maleisië een plaats in de top van het hockey zou kunnen bereiken. Talent is er voldoende.

Een bewijs voor de organisatorische wanorde is het feit dat Walsh pas een paar dagen nadat het toernooi was begonnen hoorde dat Maleisië volgend jaar niet aan de Champions Trophy mag meedoen. De wild card geldt maar voor één keer. Alleen als Maleisië kampioen wordt - en dat is onmogelijk - verschaft het land zich het recht aan de volgende editie mee te doen. Bondscoach Walsh is steeds van mening geweest dat zijn team aan de één na onderste plaats, vijfde, genoeg zou hebben. Niemand van de Maleisische hockeybond lichtte hem in over de reglementen. Walsh liep ook rood aan toen hij het slechte nieuws vernam.

Voorlopig houden de Pakistanen bijna in hun eentje de Aziatische eer hoog. Zij behalen na een flinke inzinking - elfde bij het WK'86 - weer zeer redelijke resultaten, tweede bij het laatste WK, brons op de Olympische Spelen. Maar kampioen in een groot toernooi is Pakistan al sinds 1984 niet meer geweest. Daarom verliest het hockey terrein aan squash en vooral cricket, sporten waarin Pakistan wel wereldkampioen is. Wat dat betreft is het jammer dat de ploeg van coach Khalid Mahmood na de nederlagen tegen Australië en Duitsland kansloos is om in Kuala Lumpur de Champions Trophy te winnen.

Door de eentonigheid in de top neemt wereldwijd de interesse voor hockey af hoewel de bestuurders dat ontkennen. En, vragen sommigen, wat is er op tegen om als hockey een bescheiden positie in de sportwereld in te nemen? Niets, totdat de rode streep is bereikt en de deelneming aan de Olympische Spelen in gevaar komt. Verdwijnt hockey van dat programma dan valt er echt niets meer te redden en zullen alleen Pakistan en Nederland als een soort België en Nederland bij het korfbal overblijven.

Die dreiging is er blijvend nu steeds meer takken van sport een plaats claimen op de Olympische Spelen. Tot nu toe verklaarde 's werelds hoogste sportbaas, IOC-voorzitter Samaranch, voortdurend dat er geen gevaar dreigt voor hockey. De Spanjaard heeft als voormalig rolhockeyer een zwak voor het andere hockey, maar hij heeft ook niet het eeuwige leven en een nieuwe kopman zal de zaken misschien geheel anders zien.

Het hockey moet derhalve op zijn hoede zijn. Maleisië-coach Terry Walsh vindt het de hoogste tijd dat de echte experts, “en niet degenen die beweren experts te zijn” het voor het zeggen krijgen. Zij moeten, aldus de Australiër, bepalen wat het beste voor het hockey is. Walsh heeft het over “de Lissekken”. Paul Lissek is de Duitse bondscoach en hij vindt inderdaad dat er één en ander moet veranderen om hockey meer toegankelijk te maken voor een breder publiek. Hij adviseert om de cirkels en doelen groter te maken. Want, beseft hij, veel goals en acties voor de doelen bepalen de aantrekkelijkheid van een sport.

Hockey is ook te lief en steriel om de grote massa te kunnen boeien. Een sport als ijshockey heeft zijn populariteit voornamelijk te danken aan het ruige gemep met de sticks. Zo ver moet het bij het veldhockey natuurlijk niet komen. Maar de voormalige Duitse vedette Stefan Blöcher pleitte er jaren geleden al voor iets meer risico's in te bouwen, bijvoorbeeld door de hoge bal altijd toe te staan. Dat zou volgens hem het hockey als kijkspel ten goede komen. Ironisch genoeg kreeg Blöcher een dag nadat hij die woorden had uitgesproken een schot van Bovelander op zijn hoofd. Die spektaculaire beelden gingen wel de hele wereld over en werden ook vertoond in landen waar men niet eens wist hoe een hockeystick eruit ziet. Dat is dus precies wat het slachtoffer bedoelde.