Op de i

Gisteren beschreef ik hier een hazelskink. Toen heb ik wat weggelaten. Natuurlijk laat ik wel vaker wat weg. Soms is het iets dat ik beter voor mezelf kan houden. Soms is het iets dat er niet zoveel toe doet. Nu waren het de nagels van die skink.

Over zijn pootjes heb ik het gehad. Die waren onvoorstelbaar klein. Over zijn teentjes heb ik het ook gehad. Nog kleiner uiteraard, en maar drie per poot.

En toen de nageltjes - zo klein, daar had ik haast geen woord meer voor. Bovendien werd het stukje dat ik schreef te lang. Dat is zo eigenaardig als je schrijft: dat klein dezelfde ruimte nodig heeft als groot.

Op het moment van weglating leken ze van geen belang, die nageltjes. Maar weldra een gevoel van plichtsverzuim. Want juist zijn nageltjes, besefte ik, zou ik mij mijn leven lang herinneren.

Ik weet trouwens niet zeker of het nageltjes waren. Het kan verharde huid zijn geweest, een stukje eelt of zo. Je zag ze niet. Dan had je een vergrootglas moeten gebruiken. Je voelde ze. Die drie versteende stipjes op je vingertop.

Dat de natuur aan zulke pootjes, zulke teentjes, nog iets van nagels heeft willen bevestigen. Dat zij zo naar de finesse haakt.

En wat mijzelf betreft: een huid die zulke kleinigheden signaleert.