"Onze geheime wens is elke Rus te zien vertrekken'

Naar aanleiding van zijn nieuwe vreemdelingenwet is Estland in een bitter conflict met Rusland gewikkeld over de behandeling van de omvangrijke Russische minderheid. In Estland zelf neemt de spanning toe. Estse nationalisten en vertegenwoordigers van de Russen willen van concessies niets weten.

TALLINN, 7 JULI. In de nachttrein van Moskou naar Tallinn begint het gedonder al. Het kromgetrokken vrouwtje dat met snoepgoed en sapjes vent, wil uitsluitend Estse kronen aannemen. Een Rus in trainingspak zwaait tevergeefs met zijn bankbiljetten. Hij wordt er kwaad bij maar ze moet zijn waardeloze roebels niet, zegt ze met een wegwerpgebaar. Haar toelichting in het Ests leidt vervolgens tot een tweetalige scheldpartij. Later die nacht is de verontwaardiging van het trainingspak opnieuw te horen, als Estse grenswachten in smetteloze gevechtspakken de bagage komen doorzoeken en de trein daarvoor twee uur moet stilstaan. Het blijft wennen, de soevereiniteit van dit hoekje voormalige Sovjet-Unie.

De spanning tussen Rusland en Estland is opgelopen sinds het parlement in Tallinn op 21 juni een vreemdelingenwet aannam die bepaalt dat niet-Esten een verblijfsvergunning moeten aanvragen en moeten kiezen tussen het Estse of het Russische staatsburgerschap, of anders het land moeten verlaten. In de Baltische republiek wonen bijna 600.000 Russen en de nieuwe documenten worden bij voorbaat geweigerd aan (gepensioneerde) Sovjet-militairen en aan iedereen die geen Ests wil leren. Moskou protesteerde fel tegen deze “apartheid” en “etnische zuivering” en sloot enige dagen de gastoevoer af.

“Het is de geheime wens van iedere Est om alle Russen te zien vertrekken”, erkent Tarmu Tammerk, hoofdredacteur van het in Tallinn verschijnende weekblad The Baltic Independent. “Hoe kunnen we een land opbouwen als bijna veertig procent van de bevolking geen staatsburger is?”

De zaak ligt voor Tammerk eenvoudig. In 1940 werd het onafhankelijke Estland door Sovjet-troepen bezet en die bezetters kunnen na de bevrijding in 1991 niet blijven. Dat geldt ook voor de Russische arbeiders die de afgelopen decennia door Moskou naar Estland zijn gestuurd, laatstelijk nog bij de Olympische Spelen in 1980 toen Tallinn de locatie voor het zeilen was en er flink werd gebouwd.

Het percentage Russen onder de bevolking is door dit onnatuurlijk verloop opgelopen van ongeveer tien in 1939 tot bijna veertig in 1989. De Russen hebben hun eigen woonblokken, hun eigen verenigingen en hun eigen taal, waarvan ze verwachten dat de Esten die ook spreken. Het aantal gemengde huwelijken is te verwaarlozen, net als de overeenkomsten in volksaard, zegt Tammerk. De Rus is Slavisch: open, gastvrij en emotioneel. De Est is eerder Fins: gesloten, wantrouwig en rationeel. Terwijl Russen houden van gloedvolle toespraken, betekent het Estse woord voor dichter, luuletaja, tegelijk ook leugenaar.

Natuurlijk kent iedereen wel een geschikte Rus, zegt Tammerk, “maar altijd is er ook het besef dat hij of zijn vader jouw vader of grootvader heeft gedeporteerd”. Wat Tammerk betreft zijn alleen diegenen welkom die bereid zijn Ests te spreken, volledig te integreren en trouw te zweren aan Estland. En de journalist is bepaald geen radicaal in Tallinn. Zijn collega Juri Estam, voormalig correspondent van Radio Free Europe in Stockholm en nu televisiecommentator, heeft onlangs een "centrum voor dekolonisatie' opgericht om campagne te voeren voor "repatriëring van alle Sovjets'.

In het Huis der Officieren, een monumentaal gebouw dat best wat nieuwe vloerbedekking zou kunnen gebruiken, is de bar open maar de stemming gedrukt. Twee mannen fluisteren wat bij de tafeltjes met Russische boeken en in een hoge, lege kamer zit Nikolaj Joegantsov, een ingenieur die naar eigen zeggen liever zijn vak zou uitoefenen maar die “om te voorkomen dat Estland een tweede Joegoslavië wordt” is geroepen tot de politiek. Joegantsov is voorzitter van de Russische Vergadering, de meest gematigde van de twee organisaties die zijn opgericht om de belangen van de Russen in het nieuwe Estland te verdedigen, en hij is somber. Volgens hem voert de Estse regering een hetze: schoolkinderen zou bijvoorbeeld worden bijgebracht dat Estland nog niet zo rijk is als het nauwverwante Finland omdat het nog met de Russen zit opgescheept.

“De nieuwe vreemdelingenwet heeft duidelijk gemaakt dat de Esten niet samen met de anderstaligen een nieuw land willen opbouwen, maar dat zij terugwillen naar de burgerlijke republiek van 1940. Daarmee ontkennen zij vijftig jaar geschiedenis. Mensen die hier geboren zijn, die hier hun kinderen hebben grootgebracht en die hier hun ouders hebben begraven, worden met een pennestreek tot illegale vreemdelingen verklaard en verdreven.”

Joegantsov wil best toegeven dat de Russen in Estland de afgelopen decennia zelf weinig moeite hebben gedaan te integreren, maar waarom zouden ze ook? Ze betaalden belasting, hielden zich aan de wet en Estland was gewoon een hoekje van de Sovjet-Unie waar iedereen net als overal elders Russisch sprak. “Nu is de situatie anders en beseffen we dat we ons zullen moeten aanpassen. Maar geef ons dan wel het recht om hier te blijven wonen. In Zwitserland en de Verenigde Staten leven toch ook verschillende etnische groepen vreedzaam samen?”

De vraag of hij nog wel wil wonen tussen een bevolking die hem niet meer wil, doet voor Joegantsov helaas niet meer ter zake. “Waar moeten we anders heen? Rusland zit niet op ons te wachten en wij passen ook niet meer in Rusland.” De ingenieur introduceert dan het begrip "Baltische Russen': op hen hebben de Estse cultuur en omgeving zo ingewerkt dat hun levenstijl (lees: welvaartspeil) anders dan die van de Russische Russen is geworden. “Voor mijn kinderen is Rusland buitenland.”

Raul Mälk is op het ministerie van buitenlandse zaken belast met de Ests-Russische betrekkingen. Hij vertelt waarom de vreemdelingenwet zo streng is. Er zijn rondom Tallinn nog steeds zevenduizend Sovjet-militairen gelegerd, met een hoofdkwartier dat slechts 200 meter verwijderd is van het parlement, en er komt maar geen overeenstemming over het tijdstip waarop zij zullen vertrekken. Intussen zijn er sinds 1991 ongeveer tienduizend officieren gepensioneerd hoewel zij slechts tussen de veertig en vijftig jaar oud zijn. “Onze vrees is dat Rusland bezig is alleen maar soldaten en overbodig materiaal terug te trekken terwijl het de officieren achterlaat, alleen dan zonder uniform.”

Daarnaast hecht Estland zeer aan de erkenning dat het in 1940 op een illegale manier in het Sovjet-rijk is opgenomen. En dan kan de regering niet zomaar alle door Stalin en zijn opvolgers gestuurde Russen tolereren.

Dus bestaat de mogelijkheid dat we mensen zullen moeten uitzetten, zegt Mälk, maar hij verwacht “dat politieke druk voldoende is”. De felheid van de Russische reactie op de nieuwe wet is deels aan de opstellers zelf te wijten, want de tekst was niet helemaal duidelijk. Dat wordt nu, met hulp van internationale organisaties, verbeterd. Verder is de reactie volgens Mälk er vooral een van een “koloniaal bestuur dat nog niet kan wennen aan het verdwijnen van zijn macht”. En dat is een kwestie van tijd, hoopt hij.