Midden in de oorlog wordt genocide te boek gesteld

ZENICA, 7 JULI. De werkkamer van Fuad Tabak biedt een aangenaam uitzicht op de beboste berghellingen. Bij helder weer zijn de Servische artilleriestellingen zichtbaar, vanwaar de Centraalbosnische stad Zenica bijna iedere dag beschoten wordt. Het Centrum voor Onderzoek naar Oorlogsmisdaden en Genocide (COOG), waarvan Tabak adjunct-directeur is, bevindt zich in de onveiligste wijk van Zenica, want regelmatig komen juist dáár de Servische granaten terecht.

Tabak trekt zich er weinig van aan. Bijgestaan door veertig vrijwilligers werkt hij onverstoorbaar verder aan de gedetailleerde registratie van oorlogsmisdaden en "etnische zuivering' in Bosnië-Herzegovina. Met behulp van speciaal ontwikkelde soft ware voert Tabak de verzamelde gegevens in de computer in. Keurig staat alles gerubriceerd. Zo is er de kolom "Dood, vermist of gevangengehouden', de kolom "Verdreven uit' en de rubriek "Aard behandeling', waarin onder meer mishandeling, vernedering, verblijf in concentratiekamp, verkrachting, verminking, hongersdood, marteling, dwangarbeid en onthouding van drinkwater tot de keuzemogelijkheden behoren.

Terwijl in de omgeving van Zenica het proces van "etnische zuivering' tussen moslims en Kroaten in alle hevigheid voortwoekert, werken de medewerkers van het centrum onafgebroken verder, acht uur per dag, zeven dagen per week. Ze nemen getuigenverklaringen op - schriftelijk of op videoband - en ze proberen gegevens uit geheel Bosnië te verzamelen en te ordenen. “In de Tweede Wereldoorlog is dertig procent van alle Bosniërs om het leven gekomen”, zegt Tabak. “Wat toen is gebeurd, heeft niemand onderzocht. Er heeft ook nooit een historische of politieke verificatie plaatsgehad. Geen enkele oorlogsmisdadiger is hier ooit gestraft. Wij denken dat juist daarom het proces van genocide zich nu kan herhalen. Vandaar onze pogingen om tenminste zo veel mogelijk gegevens vast te leggen, zodat toekomstige generaties er iets mee kunnen doen.”

Het Centrum voor Onderzoek naar Oorlogsmisdaden en Genocide bestaat sinds mei 1992. “Meteen al in het begin van de oorlog begon een aantal mensen zich te realiseren dat de in Bosnië gepleegde oorlogsmisdaden niet incidenteel maar systematisch van karakter waren”, zegt Tabak. “En dat ze zich over heel Bosnië zouden uitbreiden. We zagen het daarom als onze taak informatie te verzamelen en te verspreiden.”

Het belangrijkste doel van het centrum is “de moslims te beschermen”, geeft Tabak onomwonden toe. Maar hij beklemtoont dat zijn medewerkers wel degelijk ook "etnische zuivering' ten opzichte van Kroaten registreren.. “Want misdaden zijn misdaden, ook als ze door moslims zijn begaan.” Tot voor kort werkten de medewerkers van het centrum nauw samen met een Kroatische organisatie, maar “om begrijpelijke redenen” is daar inmiddels een eind aan gekomen. Op individuele basis zijn nog wel enkele Kroaten voor het centrum werkzaam, ondanks de oorlog tussen Kroaten en moslims in het gebied rondom Zenica.

Een belangrijk deel van de verzamelde informatie is afkomstig van vluchtelingen. Sommigen komen op eigen gelegenheid naar het kantoor in Zenica, voor de meesten is dat uiteraard niet mogelijk. Vandaar dat de medewerkers van het centrum zelf zo veel mogelijk vluchtelingen in Bosnië bezoeken, onder meer in Tuzla en Gorazde.

Ook het ministerie van justitie van de door moslims gedomineerde regering van Bosnië-Herzegovina verzamelt informatie over oorlogsmisdaden. Maar er zijn belangrijke verschillen in de werkwijze, stelt Tabak. Het onafhankelijke centrum in Zenica baseert zich voornamelijk op verklaringen van ooggetuigen en slachtoffers. De regering daarentegen spreekt meestal met krijgsgevangenen en vermeende daders. De informatie die de autoriteiten op deze wijze vergaren is in principe voor intern gebruik, terwijl het centrum in Zenica een openbaar instituut is, waarvan de gegevens onder bepaalde condities mogen worden ingezien.

Zo kunnen overlevenden van een verwoest dorp bij het centrum terecht als ze iets willen weten over het lot van hun familieleden. Het centrum in Zenica heeft ook aan Duitse en Amerikaanse parlementsdelegaties informatie geleverd, evenals aan de speciale VN-rapporteur Tadeusz Mazowiecki die in het voormalige Joegoslavië schendingen van de rechten van de mens onderzoekt.

Wat betreft een eventuele veroordeling van oorlogsmisdadigers maken Tabak en zijn medewerkers zich weinig illusies. Het meeste bewijsmateriaal is afkomstig van ooggetuigen die bijvoorbeeld zagen hoe hun buurman iemand de keel afsneed. “Maar de daders van georganiseerde massamoorden blijven veelal buiten schot”, zegt Tabak. Hij wijst in dat verband op een door vele getuigen bevestigde massa-executie in het Servisch-Bosnische concentratiekamp Omarska. “Niemand kan precies zeggen wie heeft geschoten en wie niet. We weten dus niet wie de daders zijn. In zo'n geval zou je de verantwoordelijke autoriteiten voor de rechter moeten kunnen slepen. Maar dat is in de huidige situatie uitgesloten.”

Ook het in Den Haag te vestigen Internationale Tribunaal van de Verenigde Naties - in het leven geroepen om oorlogsmisdadigers uit het voormalige Joegoslavië te berechten - zal daar volgens hem weinig aan kunnen veranderen. Volgens de statuten van het tribunaal worden alleen individuen berecht en kunnen ze alleen veroordeeld worden als ze aanwezig zijn. De regering van Joegoslavië (Servië en Montenegro) heeft al laten weten dat haar grondwet de uitlevering van eigen onderdanen verbiedt. Tabak acht het onwaarschijnlijk dat ook maar één vermeende oorlogsmisdadiger persoonlijk in Den Haag zal opduiken om zich daar te laten berechten. “Maar het zou al heel wat zijn als het tribunaal in Den Haag een aantal Bosnische leiders bij verstek zou kunnen veroordelen wegens genocide. Al ben ik ervan overtuigd dat de meeste in Bosnië gepleegde oorlogsmisdaden helaas onbestraft zullen blijven.”