Kubus

De architect F.J. van Gool heeft de BNA-kubus ontvangen uit handen van C. Weeber, de voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten. 't Is te hopen dat de kubus er zonder haarscheuren en schimmel is afgekomen. Twee keer op één dag in handen van een Hollandse architect, 't is niet niks.

Als geen ander heeft Van Gool de storm van de kritiek over zich heen gehad, toen hij rond 1980 die twee weerzinwekkende kubussen tegenover het Rijksmuseum neerzette. Na iedere storm, zegt de boerenwijsheid, treedt een luwte in. Geen wonder dat Van Gools broeders in het kwaad die luwte te baat zouden nemen om hem te bekronen.

Maar de luwte ontstond door een zekere protestmoeheid, door de hardleersheid en kleinzerige megalomanie van de Nederlandse architecten, niet door een gewenning aan hun aanvankelijk onbegrepen produkten. De kubussen aan de Weteringschans werden met de dag weerzinwekkender.

De minister van cultuur mocht er van de BNA niet bij zijn, toen de koning van de kubussen zijn ere-kubus kreeg uitgereikt. De architecten waren boos omdat het ministerie van WVC een verbouwinkje had uitbesteed aan een Amerikaanse architect. Een buitenlander.

Een "cultureel schandaal' noemden ze het. "Een cynische beslissing.' En C. Weeber, de nationale kubusbewaarder, sprak van "een dolksteek in de rug van de Nederlandse architectuur'.

Over het "cultureel schandaal' kunnen we kort zijn. De bijdrage van de moderne architect aan de cultuur was, decennia lang, verwaarloosbaar. Hij ging er juist prat op iedere vorm van cultuur aan zijn laars te lappen. Wat was het schandaal ook alweer?

Het schandaal was dat hij van alle mooie steden een woestenij maakte en van alle woestenijen lelijke steden.

Mondiaal.

De Nederlandse architect onderscheidde zich in niets van andere architecten, waar ook ter wereld.

Hongkong, Tilburg, Chicago, Den Haag, wie ziet nog het verschil? Glazen kantoren waarin het klerkenvolk wordt geroosterd, openbare gebouwen waarin alleen met de grootste moeite het gat te vinden is dat toegang moet verschaffen, een woonwijk voor levende wezens die in niets verschilt van een necropool. Of het nu de architect is die voor de socialistische zonnekoning van Frankrijk een nationale bibliotheek ontwierp zonder er rekening mee te houden dat daarin boeken moesten worden ondergebracht, of de architect die voor de Tweede Kamer een vergadergebouw bedacht zonder het van belang te vinden dat daarin diende te worden vergaderd, ze maken allen deel uit van een internationale club die er een eer in stelt ons, gebruikers van Tokio tot Arnhem, op te zadelen met dagelijkse ergernissen.

Door hun muzikale verschuivingen, hun weerbarstige spanningen, hun dialoog tussen kubussen.

Waarom zou een Nederlandse architect niet in het buitenland kunnen werken en een buitenlandse architect niet in Nederland? Kent hun wereldwijde eenheidsgerecht van glas en beton, met een garnituur van pomo-vijgebladen naar keus, ineens een grens?

Dat de Nederlandse architect zijn neus ophaalt voor de Nederlandse cultuur, dat weten we, maar wat, in godsherenaam, is het verband tussen hem en een Nederlands paspoort?

Behalve dan dat er van geen van tweeën ooit een deugdelijk exemplaar zal komen?

Een dolkstoot in hun rug, kom nu.

Een greep in hun portemonnee, bedoelen ze. Broodnijd en angst voor het eigen winkeltje. Geen cultureel schandaal, een doodnormale vakbondsoverweging.

Ik heb niets tegen zelfverrijking. Ik zou net zo goed iets tegen de zon en de regen kunnen hebben. De vraag is alleen: hoeveel verarming van anderen staat er tegenover? Dan scoort de Bond van Nederlandse Architecten niet hoog. Voor ons, die door hun kubussen tot zo'n schraal uitzicht werden veroordeeld, is iedere vonk van architectonische hoop welkom, uit het buitenland of niet.