Hoge Raad verlamt fiscus

Vorige week beslechtte de Hoge Raad een belangrijk geschil. Het gaat om een schadeclaim die - volgens de Hoge Raad terecht - bij de fiscus was ingediend door het Tilburgse Accountants- en belastingadviesburo NCB.

De schade bestaat uit rente en proceskosten die samenhangen met een fiscale procedure die de NCB enkele jaren geleden tot voor de Hoge Raad van de fiscus had gewonnen. De belastingdienst wilde deze schade beslist niet vergoeden. De betrokken inspecteur had voor de rechter namelijk een redelijk standpunt verdedigd, ook al bleek dit later onjuist te zijn. Daarmee ging de fiscus uit van de zogenaamde schuld-aansprakelijkheid. Die vormde jarenlang de heersende leer. Na aanloopjes in 1986 en 1989 verliet de Hoge Raad deze leer ten volle in de zomer van 1992. Toen bepaalde hij dat een bedrijfsvereniging bij elke verloren procedure aansprakelijk is voor de proceskosten van de burger; dat is de zogenaamde risico-aansprakelijkheid. De bedrijfsverenigingen en de fiscus verkeren in dezelfde positie en voeren dezelfde argumenten aan om hun beperkte schuld-aansprakelijkheid te redden. Toen de bedrijfsverenigingen hun procedure hadden verloren, was feitelijk ook het pleit voor de fiscus beslecht. Staatssecretaris Van Amelsvoort (Financiën) vroeg evenwel tot verbazing van de fiscale wereld aan de Hoge Raad om de risico-aansprakelijkheid van de fiscus in een aparte procedure vast te stellen. De bewindsman meent namelijk dat de fiscus uitgezonderd is van rechtsbeginselen die voor alle andere overheidsorganen gelden. Volgens de advocaat-generaal bij de Hoge Raad Koopmans, moest Financiën zich in bochten wringen om die uitzonderingsgedachte netjes op papier te krijgen. Financiën stelt dat de belastingambtenaren moeten werken met veel, vaak onduidelijke, wetten en met zo mogelijk nog meer gecompliceerde EEG-regelingen. Daarom wil de fiscus niet bij elke (achteraf) foute beslissing de kosten vergoeden die de belastingbetaler heeft moeten maken om zo'n fout recht te zetten. De Hoge Raad kreeg de waarschuwing dat een risico-aansprakelijkheid voor de fiscus, “een verlammend effect zal hebben op de belastingdienst, waardoor het met een goede en effectieve belastingheffing gediende algemene belang zal worden geschaad”. De angst is dat de belastinginspecteurs, gemponeerd door de financiële gevolgen die hun beslissingen voor de Staat kunnen hebben, hun werk nauwelijks meer durven te doen. Aannemende dat deze waarschuwing geen loze kreet is om de Hoge Raad schrik aan te jagen, zitten we nu dus in een ernstige situatie. De Hoge Raad heeft immers in krachtige taal de risico-aansprakelijkheid ook voor de fiscus uitdrukkelijk vastgesteld. De nog maar net gereorganiseerde belastingdienst dreigt verlamd te raken. Niet door een ambtenarenactie maar door een rechterlijke uitspraak die zelfs voor een beginnend juridisch student niets nieuws biedt.

Ondertussen stromen de verzoeken om kostenvergoeding bij Financiën binnen. Iedereen die de afgelopen vijf jaar een rechterlijke procedure (gedeeltelijk) van de fiscus heeft gewonnen, kan bij het ministerie van financiën een schadeclaim indienen. De claim van de NCB bedraagt meer dan een miljoen gulden. Hoger nog is de claim die het OAMF-rentefonds heeft ingediend nadat de fiscus een onterechte aanslag van ruim 88 miljoen gulden had opgelegd. Van Amelsvoort verwacht dat hij door de uitspraak van de Hoge Raad voor bijna 40.000 schadeclaims een bedrag van 80 miljoen gulden moet uitkeren.

Hij heeft evenwel een plan waardoor hij meer dan de helft van dat geld op zak kan houden. Bij wet worden de oude en de toekomstige rechten op schadevergoeding eenvoudigweg sterk ingeperkt. Een kamermeerderheid vindt de terugwerkende kracht in het plan van Van Amelsvoort evenwel onaanvaardbaar. Voor wat de toekomstige schadevergoedingen betreft, ontmoet het plan wel enige voorzichtige sympathie in de Tweede Kamer. Het perspectief van een verlamde fiscus is voor politici erger dan voor de Hoge Raad. Die vond dat er “geen goede grond is om de nadelige gevolgen die voortvloeien uit onjuist gebleken interpretatie die de inspecteur aan de belastingwet heeft gegeven, voor rekening te laten van een individuele belastingplichtige in plaats van haar te brengen voor rekening van de collectiviteit”. De Hoge Raad oordeelt uiteraard naar huidig recht. Als de wetgever die rechtsopvatting te duur vindt, kan hij de Raad "overrulen' met een nieuwe wet; desgewenst zelfs met terugwerkende kracht. Maar daar moet een betere reden voor zijn dan het uitsparen van 50 miljoen gulden die nu rechtens aan tienduizenden belastingbetalers toekomt.