Het radicale egosme en de perversiteit van pubers

The Cement Garden. Regie: Andrew Birkin. Met: Andrew Robertson, Charlotte Gainsbourg, Alice Coulthard, Ned Birkin, Sinead Cusack, Hanns Zischler. In: Amsterdam, Desmet; Rotterdam, Lantaren/Venster; Den Haag, Haags Filmhuis.

De reputatie van een regisseur of een korte beschrijving van de inhoud zijn doorgaans handige hulpmiddelen om bijvoorbeeld tijdens een festival de kwaliteit van een film te voorspellen. Zo had ik dit jaar in Berlijn The Cement Garden van Andrew Birkin overgeslagen. De twee eerste films van Birkin, prestigieuze maar geestloze verfilmingen van Stefan Zweig en Benote Groult, maakten me weinig nieuwsgierig naar zijn behandeling van Ian McEwans gelijknamige debuutroman uit 1978. Ook het thema, dat grofweg neerkomt op de poging van vier halfwezen om de dood van hun moeder voor de maatschappij verborgen te houden, is al vaker in films behandeld, bij voorbeeld in Our Mother's House en La fraction du myocarde.

De Brits-Frans-Duitse coproduktie - ook dat is meestal geen aanbeveling - The Cement Garden blijkt echter verrassenderwijs een van de beste films van dit seizoen te zijn. Birkin won een Zilveren Beer voor de beste regie en maakt aannemelijk dat dit het project is waar hij al tien jaar over nagedacht heeft. De financiering vormde een probleem, omdat zowel Hollywood als de meeste Europese televisiestations weinig heil zagen in de vrijmoedige uitbeelding van incest, masturbatie, gesol met een lijk en travestie, die McEwans roman dicteert.

Scenarist-regisseur Birkin volgt McEwan vrijwel letterlijk in een gestileerde vertelling die handig balanceert tussen realisme en symboliek. De theatrale abstractie krijgt vooral gestalte in de keuze van de locatie, een vrijstaande, betonnen woning in een afbraakwijk, die Engels zou kunnen zijn maar net zo goed ergens anders in Europa aangetroffen zou kunnen worden. De rigide onmacht van het daar residerende ouderpaar (Hanns Zischler en Sinead Cusack) wordt treffend gesymboliseerd door de ongenaakbare grijsheid van huis en hof, een door pa aan het begin van de film met cement volgestorte tuin.

Nadat vader en moeder successievelijk gestorven zijn, krijgen de tienerneurosen van hun kinderen ruim baan in een soort anarchistische vrijstaat. Het stoffelijk overschot van de moeder wordt in de kelder ingemetseld en de oudste twee telgen nemen de ouderrol over. De van het begin af aan dreigende incest tussen de 16-jarige Julie (Charlotte Gainsbourg) en de iets jongere Jack (Andrew Robertson) groeit langzaam naar verwezenlijking toe, terwijl de twaalfjarige Sue (Alice Coulthard) zich terugtrekt in een droomwereld en het zesjarige nakomertje Tom (Ned Birkin) zich beurtelings als meisje verkleedt of als baby gedraagt.

Er zijn weinig films, die de eenzaamheid van pubers, hun radicale egosme en neiging tot het verkennen van morele grenzen, zo adequaat voelbaar hebben gemaakt als The Cement Garden. Birkin haalt het uiterste uit zijn acteurs; het ligt voor de hand te refereren aan de incestueuze casting, die zowel de zoon als de nicht van de regisseur uitverkoos. Het had weinig gescheeld of ook Charlotte Gainsbourgs moeder, Andrew Birkins zuster, de Frans-Engelse actrice Jane Birkin, had de moederrol op zich genomen. Belangrijker nog is de vergelijking met een andere broeierige en onderschatte film, Je t'aime moi non plus, die Serge Gainsbourg in 1975 maakte met Jane Birkin in de hoofdrol. Niet alleen doet de androgyne verschijning van hun dochter Charlotte denken aan die film, ook Robertson lijkt sprekend op haar moeders toenmalige tegenspeler Joe Dallesandro.

The Cement Garden is een transparante, maar toch geheimzinnige film, die bij menige volwassene herinneringen zal oproepen aan de vanzelfsprekende perversiteit en ongelukkigheid van zijn eigen adolescentie. Een belangrijk deel van de verdienste moet op rekening van McEwan geschreven worden, maar het is zeker niet evident dat een zo subtiele roman ook tot een geloofwaardige en meeslepende film leidt.