Akkoord over beperking Vut binnen bereik; Verdeeldheid over deeltijdwerk

ROTTERDAM, 7 JULI. Een werkgever moet een verzoek van een werknemer om korter of langer te werken in beginsel honoreren, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd.

Deze passage staat als aanbeveling in het concept-akkoord over deeltijdarbeid, waarover de overkoepelende organisaties van werkgevers en werknemers zich vandaag in de Stichting van de Arbeid buigen.

De kans dat zij er vandaag hun handtekening onder zetten, is echter niet groot. Want de concept-tekst is hoogst omstreden. Ze gaat vooral de werkgevers in het midden- en kleinbedrijf veel te ver.

Minister De Vries (sociale zaken) vroeg sociale partners vorig najaar advies over de wijze waarop deeltijdarbeid zou kunnen worden bevorderd. Hij beschouwt het als een van de mogelijkheden om de in internationaal opzicht bedenkelijk lage arbeidsparticipatie in Nederland wat op te krikken.

In het concept-akkoord, opgesteld door een commissie van de Stichting, schrijven werkgevers en werknemers dat de behoefte aan "arbeidstijdpatronen' die afwijken van de gebruikelijke voltijdbanen is toegenomen, zowel aan de aanbodzijde (bij werknemers), als aan de vraagzijde (bij werkgevers) van de arbeidsmarkt.

Werknemers willen om allerlei redenen meer individuele keuzemogelijkheden in arbeidsduur en arbeidstijden. En werkgevers zoeken onder druk van de toenemende concurrentie naar meer flexibiliteit in hun organisaties. Het is in beider belang, aldus het concept-akkoord, “zorgvuldig te bezien hoe de mogelijkheden voor gedifferentieerde arbeidsduurpatronen kunnen worden vergroot”.

In dit kader volgt dan de hierboven aangehaalde aanbeveling aan de onderhandelaars over arbeidsvoorwaarden in de bedrijven en bedrijfstakken om “te regelen dat een verzoek van de werknemer om zijn of haar arbeidsduur aan te passen door de werkgever in beginsel wordt gehonoreerd, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd”.

De aanbeveling gaat gepaard met suggesties voor verbetering van de rechtspositie van deeltijdwerkers. Nu is het nog vaak zo dat hun arbeidsvoorwaarden onevenredig slechter zijn in vergelijking met voltijdwerkers. Zo hebben deeltijdwerkers dikwijls geen toegang tot de Vut, ofschoon ze er wel premie voor moeten betalen. Dit is trouwens ook strijdig met de "gelijke behandeling' van mannen en vrouwen, omdat het in de praktijk vooral vrouwen zijn die in deeltijd werken.

Maar het is, zoals gezegd, twijfelachtig of een akkoord met deze strekking de eindstreep haalt. Zoniet dan krijgt minister De Vries een verdeeld advies van sociale partners en is de politieke speelruimte voor eventuele maatregelen ter bevordering van deeltijdwerk groter.

Minder springstof bevat het concept-akkoord dat in een andere subcommissie van de Stichting is bereikt over een "arbeidsparticipatie-bevorderend ouderenbeleid', en dat vandaag ook op de overleg-agenda prijkt. Hierbij wordt een link gelegd tussen activerend ouderenbeleid (vooral bepleit door werknemers) en geleidelijke afschaffing van de Vut (vooral bepleit door werkgevers).

De aanbevelingen die hierover zijn opgesteld zijn vooral bedoeld als ruggesteun voor de CAO-onderhandelaars. In een groot aantal bedrijven en bedrijfstakken studeren zij op het ogenblik op de Vut. De aanleiding is vrijwel steeds dezelfde: was de Vut oorspronkelijk bedoeld als tijdelijke maatregel ter bestrijding van de grote werkloosheid onder jongeren, in amper vijftien jaar is zij uitgegroeid tot een "verworven recht' dat om economische, sociale en financiële redenen onhoudbaar is geworden.

De vlucht die de Vut heeft genomen, wordt treffend gellustreerd door cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vanmorgen bekend maakte. Daaruit blijkt dat het aantal mensen met een Vut-uitkering vorig jaar per saldo met 7.000 is toegenomen tot in totaal 146.000. (Eind 1987 waren er 94.000 Vutters.) Daarmee telt Nederland in de leeftijdscategorie van 55- tot en met 64-jarigen nu naast elke vier werkenden, twee Vutters, vier WAO'ers en één werkloze.

Het Stichtings-akkoord mikt erop deze scheefgroei te corrigeren, althans ten aanzien van de Vut. In de marktsector kent 70 procent een Vut-regeling, in de collectieve sector en in de gepremieerde en gesubsidieerde sector hebben alle werknemers Vut-rechten. De gemiddelde leeftijd waarop men met Vut kan is in de loop van de jaren gedaald tot 60 jaar.

Bedrijven wordt in de concept-tekst dringend aangeraden (eindelijk) serieus werk te maken van een "leeftijdsbewust personeelsbeleid', dat onder meer tot uiting zou moeten komen in uitbreiding van scholing en training, verbetering van de arbeidsomstandigheden en verruiming van de mogelijkheden voor functieverandering en korter werken. In combinatie daarmee wordt CAO-partijen geadviseerd de geldende Vut-regelingen “opnieuw te doordenken” met als uiteindelijk doel de bevordering van de arbeidsparticipatie van ouderen.