Young afwisselend introverte zanger en uitzinnige gitaarspeler

Concert: Neil Young en Booker T. & The MG's. Bezetting: Neil Young (zang, gitaar, piano, harmonica), Steve Cropper (gitaar), Booker T. Jones (orgel, zang), Duck Dunn (bas) en Jim Keltner (drums). Gehoord: 5/7 Ahoy, Rotterdam.

Uitgerekend tijdens de meest dramatische passage van het lied met de tragische afloop Powderfinger, verscheen er een vette grijns op het gezicht van gitarist Steve Cropper. Op papier was het een hemelse ingeving, om Booker T. & The MG's als begeleidingsgroep achter Neil Young neer te zetten. Toch leek het of het beroemde rhythm & blues-orkest en de Canadese bard elkaars muziek niet konden doorgronden, en ze elk leunden op hun enorme ervaring. Er werd goed gespeeld, maar de soulmannen uit Memphis stonden er bij alsof ze zich een beetje geneerden voor de vreemde capriolen van Young, die bij elke gitaarsolo tekeer ging alsof hij met blote handen tegen een stroomversnelling op moest roeien.

Toen Neil Young meer dan 25 jaar geleden zijn eerste successen boekte met de popgroep Buffalo Springfield, hadden Booker T. & The MG's er al vijf jaar op zitten als het huisorkest van het invloedrijke Stax-label. Ze waren te horen op de hits van Otis Redding en Sam & Dave, terwijl onder de eigen groepsnaam - MG staat voor Memphis Group - een reeks instrumentale rhythm & blues-klassiekers als Green Onions werd uitgebracht. Young op zijn beurt, had op jonge leeftijd in Canada ook al eens in een rhythm & blues-groep gespeeld. Met de latere popster Rick James maakte hij zelfs een opname voor het Motownlabel, dat jammer genoeg nooit op de plaat werd uitgebracht. Pas in 1988 zou Neil Young met zijn gelegenheidsgroep The Bluenotes het album This Note's For You uitbrengen, waarop hij zijn liefde voor de zwarte roots-muziek naar hartelust kon botvieren.

Het kenmerkt de oude dinosaurus, zoals Young zichzelf noemt, dat hij op 47-jarige leeftijd blijft zoeken naar nieuwe richtingen. In het verleden werd hem nog weleens commerciële zelfmoord verweten, wanneer hij een succesvolle plaat liet volgen door minder toegankelijke muziek of een drastische verandering van stijl. Platenbaas David Geffen deed hem zelfs een proces aan, omdat hij vond dat Young zijn reputatie geweld aandeed met atypische muziek. Het is nog maar de vraag welke muziek dan wel typisch mag heten, bij een muzikant die zich even goed thuis voelt achter een akoestische gitaar als tussen een batterij elektronica. Wellicht was Youngs recente en betrekkelijk milde plaat Harvest Moon een concessie aan een massapubliek, net als de akoestische sessie die hij voor MTV Unplugged opnam. In elk geval is het geen knieval waar hij lang bij stil blijft zitten, want tijdens zijn huidige concertreeks is de grillige zanger met de indringende beefstem alweer een stap verder.

Ze staan voor het eerst samen op een podium, maar aan de rust die Booker T. Jones achter zijn Hammondorgel uitstraalde viel dat niet af te lezen. Ook de door de wol geverfde bassist Duck Dunn en de altijd inzetbare drummer Jim Keltner kweten zich verdienstelijk van hun taak, bij een concert dat de gehele loopbaan van Neil Young als solo-artiest en als lid van Buffalo Springfield en Crosby, Stills, Nash & Young omspande. In het openingsnummer Mr. Soul was het rhythm & blues-gevoel evident door het luie ritme en de trefzekere gitaarloopjes. Booker T. zong een veelzeggende partij mee in de nog steeds niet gedateerde protestsong Southern Man en de rudimentaire rock van Motorcycle Mama stelde de twee achtergrondzangeressen in staat om hun luidkeelse bezieling te ventileren.

Tussen de uitzinnige gitaaruitbarstingen was Neil Young opeens weer de introverte singer/songwriter, wanneer hij achter de gebutste en afgebladderde piano plaatsnam voor de klaaglijke kampvuurliederen Helpless en I Believe In You. De harde gitaarnummers Live To Ride en het onverslijtbare Down By The River werden vervolgens met veel spierkracht de zaal in geslingerd, maar het was niet de gebalde vuist van Youngs min of meer vaste begeleidingsgroep Crazy Horse.

Hoe gewaagd en tegelijk gekunsteld het samengaan van twee wandelende hoofdstukken uit de pophistorie kan zijn, mocht blijken uit de toegift waarin Otis Reddings Dock Of The Bay door Young van een karakteristiek en onvast mondharmonica-intro werd voorzien. De veteranenclub speelde degelijk en met respect voor elkaars muzikale achterland. Toch deed dit op den duur tamelijk voorspelbare concert mij verlangen naar een hereniging met Crazy Horse, waar Young minder omzichtig te werk hoeft te gaan en hij naar hartelust met zijn piepende en zingende gitaar kan zwaaien. Zijn experimenteerlust siert hem, maar met Booker T. & The MG's is hij het excentrieke broertje waar de anderen zich eigenlijk een beetje voor schamen.