Wetsvoorstel pleit voor geleidelijke afschaffing; VVD wil voor partner zonder werk geen belastingvrije som

DEN HAAG, 6 JULI. Partners die niet werken hebben geen recht op een belastingvrije som van 5225 gulden. Dat recht moet dus geleidelijk worden afgeschaft, waarbij gezinnen met kinderen fiscaal moeten worden gecompenseerd. Dit vormt de kern van een wetsvoorstel dat de Tweede Kamerleden De Korte en Van Rey (VVD) hebben ingediend.

De VVD wil haar plannen geleidelijk invoeren. De maatregelen gelden alleen voor de generatie die in 1972 of later is geboren en dus in 1990 volwassen is geworden. Eenzelfde benadering werd eerder al toegepast bij de Toeslagenwet, die alleen vanaf de "1990-generatie' is afgeschaft.

Volgens De Korte en Van Rey past hun wetsvoorstel in de trend naar individualisering. Tot dusver mogen niet-verdienende partners hun recht op een belastingvrije voet overhevelen naar de partner die wèl een inkomen heeft. Als de eerste partner dan toch gaat werken moet hij of zij vanaf de eerste verdiende gulden belastingen en sociale premies betalen.

D66 en Groen Links, maar ook de PvdA, zijn het in principe met deze redenering eens. Het CDA aarzelt, omdat de "voetoverheveling' gunstig zou zijn voor gezinsvorming met één partner thuis. Toch bestaan ook bij de voorstanders aarzelingen. Die betreffen de koopkrachteffecten. Afschaffing van de voetoverheveling leidt immers voor een echtpaar met één inkomen tot een forse daling van het netto beschikbare inkomen. Bij een belastingtarief van 38,5 procent (eerste schijf) bedraagt die achteruitgang per jaar 38,5 procent van 5225 gulden, dat is 2000 gulden.

De VVD wil daarom voor gezinnen met kinderen, onafhankelijk van het aantal, een belastingaftrek van 5225 gulden invoeren. Een gezin met één werkende partner met kinderen speelt in het VVD-plan quitte: de dubbele belastingvrije som vervalt, maar dat wordt met de kinderaftrek geheel gecompenseerd. Twee werkende partners zonder kinderen spelen eveneens quitte: voor hen verandert niets. Hebben zij echter kinderen, dan gaan ze er zelfs 2000 gulden op vooruit. Alleen een gezin met één werkende partner zonder kinderen gaat er wèl op achteruit, met 2000 gulden per jaar.

De Korte en Van Rey verwachten, op basis van berekeningen van het Centraal Planbureau, dat hun voorstel gunstig is voor de werkgelegenheid. Partners die nog niet werken worden geconfronteerd met een lager netto gezinsinkomen, wat hen zal stimuleren sneller een baan te aanvaarden. Bovendien wordt werken aantrekkelijker gemaakt, omdat over de eerste 5225 gulden geen belasting hoeft te worden betaald. Het grotere arbeidsaanbod zou kunnen leiden tot extra loonmatiging, wat weer gunstig is voor de werkgelegenheid.

Ook zouden langdurig werklozen zonder kinderen worden geprikkeld actiever op zoek naar werk te gaan. Want kinderloze RWW-ers, met een uitkering op bijstandsniveau, gaan er in het VVD-plan fors op achteruit. Dat komt omdat hun netto-uitkering 70 procent bedraagt van het netto-minimumloon van een alleenverdiener, dat in het VVD plan met 2000 gulden daalt. RWW-ers moeten dus 70 procent van 2000 gulden, dat is 1400 gulden, inleveren.

Net als de RWW is ook de AOW gekoppeld aan het netto-minimumloon. Maar voor de AOW maken de liberalen een uitzondering. De koopkracht van de 65-plussers wordt dus in het VVD-plan niet aangetast. Dat geldt, om een andere reden, ook voor de koopkracht van arbeidsongeschikten zonder kinderen met een minimum-uitkering (AAW). Dat komt omdat de AAW niet netto maar bruto is gekoppeld. Het bruto minimumloon blijft onaangetast, en dus ook de AAW.

Het aandeel van de groep mensen waarom het gaat - in 1972 of later geboren, èn samenwonend met een niet-verdienende partner - zal bescheiden zijn, omdat in de meeste jonge gezinnen beide partners werken. Daarom zullen ook de werkgelegenheidseffecten in het jaar 2000 uiterst klein zijn. Het CPB schat dat het VVD-plan in dat jaar 4000 arbeidsjaren, dat is circa 25.000 (deeltijd)banen, oplevert.