Trillend van emotie dank zij Henry van de Velde

Tentoonstelling: Henry van de Velde in de verzamelingen van de Koninklijke Bibliotheek, t/m 21 aug. in de Koninklijke Bibliotheek, Albert I, Kunstberg, Brussel, ma t/m za 9-16.45u (21 juli gesl). Catalogus door Fabrice van de Kerckhove e.a. (inl. A.M. Hammacher) B.Fr. 500.

De Belgische symbolische dichter Emile Verhaeren had de gewoonte om brieven die hij over zijn werk ontving met een smal streepje lijm in de betreffende dichtbundel te plakken. Zo ontstond dan één exemplaar van dat boek dat steeds meer pagina's kreeg en als het ware van een steeds uitgebreider commentaar werd voorzien.

Omdat de brieven meestal ook nog andere mededelingen bevatten heeft die werkwijze van Verhaeren soms een wat vervreemdend effekt. Dat blijkt op de tentoonstelling gewijd aan het Henry van de Velde-archief in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel. Op deze 'schaduw-expositie' van de grote, rondreizende Van de Velde-tentoonstelling - eerder in Duitsland en nu in Gent - zien we de eerste druk van Verhaerens Les Villages illusoires. Deze bundel nogal verheven verzen ligt merkwaardigerwijs opengeslagen bij een op 25 februari 1895 gedateerde klacht van de dichter August Vermeylen over de Duitse literatoren. Ze hebben volgens de auteur geen kwaliteit en zijn veel te commercieel. En wat haast nog erger is: ze beschouwen 'poète' of 'écrivain' zijn als een beroep!

Op het moment dat Vermeylen dit schreef was hij samen met Verhaeren bezig een internationaal kunsttijdschrift van de grond te krijgen, waarvoor onder anderen R.N. Roland Holst, Theo van Rijsselberghe, Lodewijk van Deyssel en Henry van de Velde benaderd waren. Over de laatste klaagt Vermeylen in zijn brief:'Die Henry van de Velde wordt blijkbaar meegesleept in een draaikolk van aktiviteiten, want hij leest mijn brieven maar half en geeft ook geen antwoord op mijn vragen'. Hoe het ook zij, het tijdschrift is er nooit gekomen.

Het archief van Henry van de Velde, dat met meer dan vierduizend stukken een aardige afspiegeling is van allerlei aktiviteiten die destijds wèl doorgang vonden, was bijna voor België verloren gegaan. Toen Van de Velde in 1957 in Zwitserland stierf werd het aanvankelijk gedeponeerd in de Technische Hochschule in Zürich. Pas zes jaar later wist de toenmalige hoofdconservator van de Koninklijke Bibliotheek het archief naar Brussel te halen. Door toedoen van Van de Veldes kinderen, die naar de veelzeggende namen Thyl en Nele luisteren, werd de collectie brieven, documenten, boeken en foto's later nog aangevuld.

Echter, een interessant archief hebben is één, maar daar ook een spannende tentoonstelling van maken is twee. De huidige presentatie blinkt op zijn zachtst gezegd niet uit door educatieve begeleiding. Sterker nog: nergens een zweem van een introductietekst, geen themaindeling of chronologie te bekennen, kortom, alle legitimatie voor een tentoonstelling ontbreekt. Er is zelfs geen aansprekende titel. Het unieke materiaal - de fraaiste prachtbanden en de best verzorgde dichtbundels, brieven van Mallarmé, Stephan Zweig, Romain Rolland, Paul Verlaine, Max Klinger - is zonder enig verband uitgestald.

Dat heeft natuurlijk ook zijn aardige kanten. De oplettende bezoeker kan nu na enig gemanoevreer met zijn eigen schaduw lezen dat Hugo von Hoffmansthal op 30 juni 1906 diepgaand gelukkig is dat hij Van de Velde heeft leren kennen. Dat hij van plezier en emotie trilt als hij aan hem denkt of een reproduktie van zijn werk ziet of wanneer hij zijn sublieme werken leest. Zulke ontboezemingen horen bij verbleekte inkt, net als de verzuchting van de Belgische fin-de-siècle auteur Charles Van Lerberghe, die aan zijn dagboek toevertrouwde dat Van de Velde hem verveelde met zijn eeuwige gepraat over Kunst.

Tegenover deze onduidelijke tentoonstelling staat gelukkig een mooie, degelijke catalogus van het soort waar veel Nederlandse musea met hun populaire 'essaytjes' een puntje aan kunnen zuigen. In twee talen verkrijgbaar, met perfecte, soms ook vrolijke informatie waardoor verbanden duidelijk worden zonder dat mythes worden ontkracht.

Pas na het lezen daarvan begrijp je hoezeer de vormgever Van de Velde in een haat-liefde verhouding stond met de literatuur van zijn tijd, de literatuur die in het fin-de-siècle als de perfecte bruid voor de schilderkunst wordt gezien. 'In hunne optocht', schrijft Van de Velde in Van Nu en Straks, 'hebben schildersverenigingen als Les Vingt hunne buren opgeruid, literatuur, muziek, Tooneel'. Maar de literatuur is te veel de 'verwaande bondgenote' geworden en eigende zich zonder meer het terrein van de kunstkritiek toe. Van de Velde grijpt in reactie daarop zelf naar de pen en zal zijn hele leven door zijn eigen theorieën opschrijven. Dat belet hem niet om mooie omslagen voor het werk van zijn vrienden literatoren te blijven maken, de typografie voor hen te blijven verzorgen, kortom zijn stempel ook op de literatuur te drukken.

De catalogus heeft een voorwoord gekregen van A.M. Hammacher, die na de oorlog als conservator werd aangesteld in het door Van de Velde gebouwde, maar nog niet voltooide, Museum Kröller-Müller. In die functie heeft Hammacher de oude Van de Velde goed leren kennen. De mooie inleiding, gebaseerd op herinneringen, lijkt een late necrologie en is een document op zich. Maar dan één met afstand en synthese.

In het Museum voor Sierkunst in Gent, Jan Breydelstraat 5, is tot 4/8 ook nog de reizende (en eerder besproken) tentoonstelling ”Henry Van de Velde, een Europees kunstenaar in zijn tijd' te zien. Geopend: dag. beh. ma. 9.30-17u.