Lening Begemann aan J. van den Nieuwenhuyzen onwettig

ROTTERDAM, 6 JULI. De lening die het bedrijvenconglomeraat Begemann vorig jaar heeft verstrekt aan president-directeur J.A.J. van den Nieuwenhuyzen om eigen aandelen te kopen is "in strijd met de wet'.

Dit zeggen prof.mr.drs. H.P.J. Ophof, hoogleraar ondernemingsrecht aan de Rotterdamse Erasmus-universiteit, en emeritus- hoogleraar ondernemingsrecht aan de Nijmeegse universiteit, prof.mr. W.C.L. van der Grinten. Beiden betitelen de transactie, waarmee Begemann uiteindelijk een overname in België afrondde, als "niet fraai'. Van den Nieuwenhuyzen noemt dit “maar een deel van het verhaal, waarbij het totale kader buiten beeld blijft”.

Van den Nieuwenhuyzen leende vorig jaar zijn bedrijf Begemann een bedrag van 130 miljoen gulden, waarmee hij op de beurs 15 procent van de uitstaande aandelen Begemann opkocht. Met deze aandelen financierde Van den Nieuwenhuyzen de aankoop van de resterende 45 procent van de aandelen in de Belgische firma Volvo Car Sint Truiden (VCST), waarin Begemann al 55 procent bezat. Met de VCST-stukken werd vervolgens de lening bij Begemann weer afgelost.

Begemann had de lening volgens een aantal juristen, onder wie Ophof en Van der Grinten, nooit mogen verstrekken op grond van artikel 98c van het Nieuw Burgelijk Wetboek. De letterlijke tekst van dat artikel luidt namelijk: “De naamloze vennootschap mag niet, met het oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in haar kapitaal of certificaten daarvan, leningen verstrekken, zekerheid stellen, koersgarantie geven, zich op andere wijze sterk maken of zich hoofdelijk of anderszins naast of voor anderen verbinden”.

J. van den Nieuwenhuyzen is het met deze lezing niet eens: “Het doel van de transactie, waarop "met het oog op' betrekking heeft, was niet de aankoop van aandelen Begemann, maar aankoop van VCST. De stukken Begemann waren het middel, VCST het doel”. De Amsterdamse effectenbeurs toont geen interesse: “Het gaat om een interne vennootschappelijke kwestie, die alleen van belang is voor de aandeelhouders en niet voor de beurs”. In de praktijk betekent het niet dat de hele transactie daarmee ongedaan kan worden gemaakt. Van der Grinten: “Er zijn geen sancties. Het feit dat Begemann de lening niet had mogen verstrekken betekent alleen dat de lening nietig is. Begemann had dus de lening moeten opeisen, met andere woorden: Van den Nieuwenhuyzen had de lening moeten aflossen. Dat is inmiddels dus gebeurd met die VCTS-aandelen, waarmee de hele zaak over is. De transactie die met het geleende geld is verricht, valt hierbuiten”. Ophof denkt er hetzelfde over: “Het is een academische kwestie geworden”.

In theorie kunnen aandeelhouders en crediteuren na bijvoorbeeld een faillissement via een enquête de commissarissen en directie persoonlijk aansprakelijk stellen voor wanbeleid. Ophof: “Dat kan dan op grond van het feit dat de bestuurders zich niet aan de spelregels hebben gehouden. Al veel eerder kunnen aandeelhouders bij een jaarvergadering de herbenoeming van een commissaris afstemmen, waarna de Ondernemingskamer een onderzoek kan instellen”. Van wanbeleid is volgens Van den Nieuwenhuyzen geen sprake: “De onderneming heeft er niet onder geleden, sterker nog: de transactie is juist heel gunstig voor Begemann”.