Kunde en elite

VOOR DE MEER genteresseerde en begaafde studenten zijn de universitaire programma's in de sociale wetenschappen vaak te licht.

Tot die conclusie komt de visitatiecommissie sociologie en culturele antropologie in haar eindrapport. De commissie keek naar tentameneisen, studieprogramma's en doctoraalscripties en stelde ook een enquête in onder de studenten. Vooral dat laatste deel van het onderzoek inspireerde de commissie tot haar oordeel: veel studenten gaven zelf te kennen dat de studie te weinig van hen eist, niet uitdaagt en te oppervlakkig is.

Die vervlakking is niet de enige kwaal die de sociale wetenschappen teistert. Al sinds enige jaren hebben de studies sociologie en culturele antropologie te kampen met een teruglopende belangstelling van studenten. Het eerste studiejaar is steeds vol, maar het merendeel van de studenten begint alleen maar aan de studie omdat zij na dat eerste jaar toegang krijgen tot populaire bovenbouw- en doorstroomstudies waarin "beleid', "organisatie', "communicatie' en "management' de sleutelwoorden zijn. Voor de reguliere doctoraalstudie sociologie of culturele antropologie kiest slechts een handjevol studenten, en het zijn juist deze studenten die klagen over het niveau van de studie.

ALS DE DIAGNOSE van de visitatiecommissie juist is - en er is weinig reden daaraan te twijfelen - dan is de situatie niet van tragiek ontbloot. Men zou immers kunnen verdedigen dat er aan de universiteiten plaats is voor twee soorten sociale wetenschap: een meer praktisch gerichte variant, gericht op te onderscheiden maatschappelijke deelgebieden, en een veel meer theoretisch genspireerde, meer integrale opvatting van het vak. Studenten die zich in een van de vele "kundes' bekwamen, kunnen na hun studie in de regel snel terecht in de sector waarover ze hun kennis hebben verzameld. Daar staat het nadeel van de versnippering en theoretische verarming tegenover.

Studenten in de tweede groep hebben een veel minder duidelijk beroepsperspectief, in feite werken ze in een klassieke traditie. In die traditie gaat het erom een algemene, veelomvattende theorie over de samenleving te ontwikkelen. Dat mag een moeilijke opgave zijn en de resultaten zijn niet altijd even indrukwekkend. Toch is het uiterst nuttig als in de huidige onoverzichtelijke samenleving althans enkelen zich die taak stellen. Daarbij komt dat juist de laatste jaren een opmerkelijke opleving van dat streven is te constateren.

DE STUDENTEN die zich tot dat streven aangetrokken voelen vormen een elite, een groep die naar kennis hongert en gestimuleerd wordt door een flinke studielast. Dat uitgerekend deze groep met halfzachte programma's en ongenspireerde hoorcolleges wordt afgescheept, is uiterst bedenkelijk. Omdat daarmee een veelbelovende ontwikkeling in de sociale wetenschap wordt gefrustreerd en omdat dan tegen de versnippering in deelgebieden niet meer het noodzakelijke tegenwicht kan worden geboden. Maar vooral omdat jonge mensen die meer willen dan een veredelde vorm van hoger beroepsonderwijs in die ambitie niet moeten worden tegengewerkt. Hoogleraren en docenten die dat niet begrijpen werken mee aan de ondergang van hun eigen vak.