Hoogleraren: klussen mag, maar niet te veel; "Als de hoogleraar altijd op stap is, dan zit er iets fout'

Verdeling van geld uit bijbaantjes is "toch niet te controleren' Mag een hoogleraar bijverdienen en zo ja, hoeveel? De meeste hoogleraren zelf hebben niets tegen "bijklussen', als het maar niet te veel wordt. Een rondgang langs professoren.

ROTTERDAM, 6 JULI. “Je zou kunnen zeggen: over de eerste achtduizend gulden zeuren we niet. Naar analogie van de bijverdienste-regeling voor studenten.” Met enige tegenzin formuleert prof.dr. J. Sperna Weiland een regeling voor privé-inkomsten van "bijklussende' hoogleraren.

Aan een regeling, hoe die er ook uitziet, valt niet te ontkomen, zegt de emeritus hoogleraar wijsgerige antropologie en ex-rector-magnificus van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Steeds meer wetenschappers met zogeheten "derde geldstroom-onderzoek' verlenen diensten aan derden. Uit de wetenschappelijke jaarverslagen blijkt dat ruim een kwart van de universitaire medewerkers zich bezighoudt met zulk onderzoek, verricht in opdracht van bedrijven of maatschappelijke instanties.

“De universiteit heeft nu eenmaal geld van elders nodig”, constateert Sperna Weiland. Maar al ziet de ex-rector magnificus in dat een regeling voor neveninkomsten onafwendbaar is, hij houdt zijn bedenkingen: “Ik vind dat zulk geld eigenlijk aan de hele universiteit ten goede moet komen. Dat is misschien idealistisch geleuter, maar het is bedenkelijk als een wetenschapper zegt dat het geld dat via de derde geldstroom binnenkomt alleen voor hem en zijn vakgroep is. Met uitwassen in bijverdiensten verdien je geen respect van de samenleving. Echt, eerlijk duurt het langst.”

Dus toch een kwestie van "maatvoering', zoals minister Ritzen (onderwijs) opmerkte over zijn staatssecretaris R. in 't Veld, die aftrad na een rel over zijn bijverdiensten als hoogleraar bestuurskunde? Uit gesprekken met een aantal hoogleraren blijkt dat zij zelf niets tegen bijverdienen hebben, al moet het niet te veel worden. “In een enkel geval kan ik me voorstellen dat er in een contract zoiets wordt geregeld: zo en zoveel voor de hoogleraar, de rest voor de faculteit”, zegt prof. C.H.A. Koster, informaticus aan onder andere de letterenfaculteit van de Katholieke Universiteit Nijmegen. “Maar dan gaat het over lage bedragen, geen tonnen.”

Koster heeft “geen hoge pet op van bijklussers”. Het contract tussen In 't Veld en de Erasmus Universiteit - dat bepaalde dat hij een dag van zijn werkweek aan zijn bv mocht besteden - noemt hij zelfs “in het algemeen absoluut verwerpelijk. Maar ik begrijp wel dat de faculteit een dergelijk contract afsluit om iemand binnen te halen.”

Prof.ir. P.W. Sanders, technisch bedrijfskundige aan de Technische Universiteit Eindhoven, noemt het contract van In 't Veld “echt flauwekul”. “Een wetenschapper moet meer liefde hebben voor zijn vak dan dollartekens in zijn ogen.” Prof.dr. W.E. Saris, politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam: “In 't Veld bevond zich op een hellend vlak. Het was allemaal een beetje te veel. Hoewel het natuurlijk aan de universiteit is om te bepalen of ze zulke contracten wil afsluiten.”

Mr. H.J. Zeevalking - voorzitter van een commissie die op last van onderwijsminister Ritzen de universitaire regelingen voor bijverdiensten inventariseert - liet onlangs weten dat vaak niet is geregeld welk bedrag de hoogleraar in zijn eigen zak mag steken. In 't Veld maakte jaarlijks conform zijn contract een deel van zijn bijverdiensten - een ton - over naar de vakgroep. Een deel schreef hij over op zijn privé-rekening.

“In 't Veld heeft op een aantal punten niet onjuist gehandeld”, zegt Koster. “Alleen de verhoudingen waren zoek. Om een aardig voorbeeld te geven. Een aantal jaren geleden adviseerde ik minister Deetman. Hij zei dat hoogleraren moesten worden betaald volgens het normale, marktconforme tarief. Het geld zou naar de universiteit gaan en in mijn onschuld heb ik niet aan mezelf gedacht. Ik werkte tien dagen aan die klus en ik stuurde, conform de richtlijnen van het ministerie, een rekening van 15.000 gulden. Die 15.000 gulden zijn dus nooit ontvangen. Deetman schrok zich een hoedje van dat bedrag.”

In de medische sector bestaat al jaren een regeling waarin de hoogleraar/arts wordt toegestaan een deel van zijn tijd te besteden aan de eigen praktijk. Het verdiende geld moet voor een gedeelte worden genvesteerd in onderwijs en onderzoek, de rest wordt bijgeschreven op de privé-rekeningen van de hoogleraar en zijn medewerkers. Een uit opportunisme geboren arrangement: een vrij gevestigde arts kan zóveel meer verdienen dat aan een "bijklusregeling' niet valt te ontkomen, wil de universiteit artsen binnen de muren houden.

Prof.dr.ir. H.H. van den Kroonenberg, ex-rector-magnificus van de Universiteit Twente en nu directeur van het Energie Onderzoekscentrum Nederland, zou het liefst zien dat er ook voor andere universitaire medewerkers zo'n regeling komt. “Ik heb geen bezwaren tegen een privé-rekening”, aldus Van den Kroonenberg. “Ik wil niet eens weten hoeveel daar naar toe gaat. Let wel: die nevenwerkzaamheden moeten worden beperkt tot één dag. Als de hoogleraar altijd op stap is, dan zit er iets fout.”

Bijklussen, aldus de ex-rector, “versterkt het vakgebied” - mits het goed wordt geregeld. “Mijn voorstel is dat de universiteit hoogleraren toestaat een dag per week te besteden aan nevenwerkzaamheden. En ik vind dat hij zijn salaris die vijfde dag moet krijgen doorbetaald.” Voor de inkomsten uit nevenarbeid denkt Van den Kroonenberg aan een verdeling van zestig procent voor de vakgroep en veertig procent voor de hoogleraar en zijn medewerkers - al vindt hij eigenlijk dat die verdeling helemaal vrij moet worden gelaten. “Dat is toch niet te controleren. Als een hoogleraar meer geld wil hebben, regelt hij dat wel met de opdrachtgever.”

Los van de vraag of het mag: heeft een bijklussende hoogleraar eigenlijk wel tijd om klussen te doen? Sperna Weiland: “Ik stel vast dat als een hoogleraar en andere universitaire medewerkers hun taken serieus uitvoeren, er dan heel weinig tijd overblijft.” Sanders: “Als ik in mijn vrije tijd een advies aan een bedrijf geef, vind ik niet dat ik dat hoef te melden. Ik ben goed te controleren. Ik ben vijf dagen op de faculteit of anders ben ik op een bijeenkomst. Met een meldingsplicht heb ik moeite. Ik heb mijn buik vol van die bureaucratische lieden.” Prof.mr. W. Konijnenbelt, jurist aan de Rijksuniversiteit Leiden en de Universiteit van Amsterdam, vindt daarentegen dat er wèl een strenge controle moet komen: “In een faculteit moet een instantietje van drie lieden komen dat alles in de gaten houdt. Het bijklussen mag zeker niet in de baas zijn tijd gebeuren.”