Een skink

“Hoho, een skinkewei!” We reden over zomaar een binnenweg, langs zomaar een terrein met bolle struiken en wat opgaand gras.

De hazelskink, geen hazelworm, jaagt op sprinkhanen. Hij vlecht zich bliksemsnel een weg door traliewerk van dicht gewas.

Om een kort verhaal nog korter te maken: Henk kreeg er een te pakken. Zijn zwak voor dit gedierte heeft flitsende reflexen voortgebracht.

De skink is hagedis in slangevorm. Een groenig dier, dat glom als een olijf. Een vinger dik en dertig centimeter lang, gespierd en hard, zo rond als een koperen buis. Zijn ragfijn mondje had iets lacherigs, van een dolfijn.

En pootjes had hij ook. Ergens aan de voor- en ergens aan de achterkant. Met potlood getekende franjes. Precies drie teentjes elk. Als je ze naar achteren wreef, vergleden ze in deukjes aan het lijf.

Met lopen hebben deze pootjes niet van doen. Ze dienen als een minuscuul statief, om boven boven en onder onder te houden.

"Rückgebildet,' zegt het Duits in zo'n geval. Dat zouden wij ook moeten zeggen: terugontwikkeld. Dat is in elk geval beter dan gedegenereerd, want dat zijn ze niet; het zijn volmaakt de pootjes van een hazelskink.

Iemand zei dat hij zo schokkerig bewoog. En Henk: “Zo zie je maar hoe slim hij is.” Want elke schok was een beslissinkje.

Ik gaf een skink zijn vrijheid terug.