Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA) in jaarrapport: "Migratie verzwakt ontwikkelingslanden'

Migratie uit ontwikkelingslanden betekent verlies aan "menselijk kapitaal'; maar anderzijds zorgen succesvolle migranten voor een geldstroom naar hun geboorteland. In het Westen veroorzaken zij culturele en politieke polarisaties. Dit schrijft het bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA) in zijn vandaag verschenen jaarrapport. De Nederlandse demograaf Van der Kaa betwijfelt of migratie "dé menselijke crisis van deze tijd' zal veroorzaken.

Tussen 1995 en 2000 stijgt de wereldbevolking met een recordaantal van 98 miljoen mensen per jaar. Voor 95 procent doet deze groei zich voor in de ontwikkelingslanden. De bevolking van Afrika - nu 700 miljoen - zal in 2025 meer dan verdubbeld zijn tot 1,6 miljard. Door de explosieve bevolkingsgroei in ontwikkelingslanden zal de migratie sterk toenemen, zo sterk dat het "dé menselijke crisis van deze tijd' kan veroorzaken.

Dit meldt het jaarlijkse rapport van het bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA), dat dit jaar "migratie' als hoofdthema heeft. Prof.dr. D.J. van de Kaa, hoogleraar demografie en directeur van het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS), heeft vandaag de Nederlandse versie van dit rapport aangeboden aan minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking. Van de Kaa werkte niet mee aan het rapport.

Vorig jaar woonde twee procent van de wereldbevolking, honderd miljoen mensen, buiten hun vaderland. Behalve overbevolking zijn verslechtering van het milieu en binnenlandse conflicten belangrijke oorzaken van migratie. Volgens het rapport is het mogelijk dat de massale migratie van arme landen naar het rijke Westen verder zal worden aangewakkerd doordat "potentiële migranten' via de media steeds meer in contact komen met het Westen. Van de Kaa acht de kans hierop echter klein. “Migranten overwegen altijd eerst de voor- en nadelen. Een van de nadelen is de huidige tendens in Europa om de mogelijkheden voor toelating te verkleinen. Migranten zullen dus ook minder snel naar Europa gaan.”

Een belangrijk gevolg van het toenemende contact is volgens Van de Kaa wel dat de bevolking van ontwikkelingslanden zich waarden als "zelfontplooiing' en "actieve deelname aan de maatschappij' eigen maakt. “Zo ontstaan nieuwe idealen die in eerste instantie de migratie doen toenemen, omdat de discrepantie tussen wat men wil en wat men in eigen land kan, heel groot wordt. Maar op de langere termijn worden de mogelijkheden in eigen land groter en zal de migratie afnemen. Dat is gebeurd in landen als Singapore en Zuid-Korea, die veel nadruk hebben gelegd op onderwijs en gezondheidszorg. Zulke landen gaan zelf mensen aantrekken.”

In 1989 stuurden migranten over de hele wereld 66 miljard dollar naar huis. Dat bedrag overtrof zelfs de ontwikkelingshulp (dat jaar 46 miljard dollar). Voor sommige ontwikkelingslanden zijn de geldzendingen van migranten de belangrijkste bron van inkomsten. In Sri Lanka vormden ze in de jaren tachtig de grootste bron van inkomsten na de export van thee.

Hoe kwetsbaar landen zijn die het vooral moeten hebben van inkomsten uit buitenlandse arbeid bleek direct na de Iraakse bezetting van Koeweit in 1990, toen buitenlandse arbeiders massaal hun arbeidsplaatsen moesten verlaten. Het effect op de economie van landen als Jordanië en Jemen was desastreus.

In ontwikkelingslanden ontvluchten steeds meer mensen het overbevolkte platteland en trekken naar de stad. Hierdoor ontstaan mega-steden die de toestroom nauwelijks meer aankunnen. De groei van deze steden gaat onverminderd door. In Brazilië groeien Rio de Janeiro en São Paulo naar elkaar toe; ze zullen volgens de verwachting in 2010 één megapool vormen met veertig miljoen inwoners.

De internationale migratie zorgt volgens het rapport echter voor de grootste problemen. Migranten die van land veranderen zijn vaak in hun vruchtbaarste jaren en zorgen in hun nieuwe land voor bevolkingsaanwas. Ook verloopt internationale migratie vaak volgens gebaande wegen en netwerken, waardoor migranten uit één land zich vestigen in bepaalde wijken en steden. Culturele verschillen met de autochtone bevolking komen hierdoor scherper naar voren.

De taferelen waartoe migratie kan leiden zijn in Europa inmiddels vertrouwd. In Duitsland staan Turken bloot aan aanslagen van rechtsradicalen, en vorige week zette Griekenland twintigduizend Albanezen terug over de grens. In heel West-Europa vroegen in 1991 circa 600.000 mensen asiel aan. Een jaar later kreeg alleen Duitsland al meer dan 500.000 aanvragen. De stijging werd vooral veroorzaakt door de omwentelingen in het Oostblok en het uiteenvallen van Joegoslavië.

Van de Kaa vindt dat het Europese beleid anders moet. “Op den duur moet het Europese beleid meer op het Noordamerikaanse of Australische gaan lijken, waar een actieve selectie op migranten wordt toegepast: asielzoekers krijgen punten voor niveau van opleiding, talenkennis, leeftijd, bereidheid zich in te zetten voor het land. De mensen voor wie het wederzijds profijt het grootst is worden toegelaten. Ik geloof niet dat dat ten koste gaat van de zwaksten. Slecht-opgeleiden hebben er weinig aan om toegelaten te worden, want het land heeft nauwelijks mogelijkheden voor hen. De uitgangspositie van hoger opgeleiden is veel beter. Hun grootste probleem is de waardering van hun diploma.”

Veruit de meeste vluchtelingen bevinden zich niet in Europa en Noord-Amerika, maar in Azië, Afrika en Latijns Amerika. Het asielbeleid van arme landen is volgens het rapport ondanks de armoede vaak genereuzer dan dat van rijkere landen. Van de Kaa twijfelt aan de juistheid van deze stelling. “Mensen die hier komen, krijgen wel meteen huisvesting, onderdak en geld. Ik zeg niet dat het rozegeur en maneschijn is, maar er worden flinke bedragen besteed. Natuurlijk moet je groot respect hebben voor een land als Pakistan, dat enorme aantallen Afghaanse vluchtelingen heeft toegelaten. Maar daarbij verwacht men toch altijd dat het tijdelijk zal zijn. Europa, de VS en Canada hebben flinke aantallen migranten opgevangen. Niet alle mensen die wllen komen, kúnnen worden opgevangen, zo is het nu eenmaal.”

Het beeld van de "typische migrant' is sinds de jaren zestig sterk veranderd. In de jaren zestig waren de meeste migranten geschoold of zelfs hoog opgeleid, nu is het grootste deel van de migranten ongeschoold. Dit komt vooral doordat er steeds meer niet-geregistreerde en vrouwelijke migranten zijn. Bijna de helft van alle internationale migranten is vrouw. In een aantal Afrikaanse landen, zoals Burkina Faso, Swaziland en Togo, vormen vrouwelijke migranten eenderde van de bevolking.

Vooral in ontwikkelingslanden zijn vrouwen vaak gedwongen te vertrekken omdat de mannen uit de familie zijn weggevallen door oorlog of aids, en er geen manier is waarop vrouwen een eigen inkomen kunnen verwerven. In de regio ten zuiden van de Sahara wordt tachtig procent van het land bebouwd door vrouwen, maar slechts acht procent is hun eigendom. Als vrouwen migreren gaan ze er vaak sterk op achteruit. Zelfs vrouwen die in hun geboorteland een goede opleiding hebben genoten, kunnen in het nieuwe land meestal niet hun oude beroep oppakken.

Müzeyyen Utlu van het Nederlands Centrum voor Buitenlanders: “Buitenlandse vrouwen van de eerste generatie werken vaak in de schoonmaaksector of in de grote industrie, waar ze lopende-bandwerk doen. Bij Maggi, Patria en Droste werken veel allochtone vrouwen. Door allerlei inspanningen komen er nu steeds meer jonge vrouwen in de detailhandel en de verzorging te werken. Dat zijn vrouwen van de tweede en de "tussengeneratie', die op elf- à twaalfjarige leeftijd naar Nederland zijn gekomen.”

Volgens Alem Desta van de Vluchtelingenorganisatie Nederland komen vrouwelijke vluchtelingen wel eerder in beleidsfuncties terecht dan mannelijke. “Ik denk dat dat komt omdat vrouwen vastbeslotener zijn. Ze weten dat het voor hen twee keer zo moeilijk is om iets te bereiken, namelijk omdat ze èn vrouw èn anderstalig zijn. Voor mannen komt dit soort problemen onverwachts, die zijn trotser en daardoor trager.”

Het UNFPA-rapport noemt de ontwikkeling van vrouwen van essentieel belang om de bevolkingsgroei, en daarmee de migratie, in te dammen. Zonder sociale en economische onafhankelijkheid blijven kinderen, vooral zonen, voor veel vrouwen de enige zekerheid voor de toekomst. Van de Kaa: “Het blijkt dat enige opleiding, al is het maar lagere school, meteen een andere houding ten aanzien van partner en huwelijk geven. We moeten voorzichtig zijn dat we geen cultuur-imperialistische houding aannemen, maar ik ben ervoor te pogen de status van vrouwen te verbeteren.”

Van de Kaa vindt het UNFPA-rapport goed, maar “niet het meest stimulerende” van de afgelopen jaren. “Het rapport signaleert mondiale problemen, maar biedt weinig aangrijpingspunten voor het beleid van alledag. Ik had graag gezien dat meer was ingegaan op de kwestie van de rechten van de mens. Het is een basisrecht dat je je land moet kunnen verlaten, maar tegenwoordig zie je dat landen willen dat hun bevolking minder reist. Het rapport schenkt geen aandacht aan de instrumenten die hiervoor eventueel nodig zijn.”

Ook de invloed van de betrekkingen tussen landen op migratie komt wat Van de Kaa betreft niet voldoende aan de orde. “Duitsland heeft overeenkomsten met een aantal Oosteuropese landen om mensen uit die landen voor een bepaalde tijd in een bepaalde industrie te werk te stellen. Ik denk dat dat soort afspraken in de toekomst vaker zal voorkomen. Het zou voor de hand liggen als de EG ze zou maken met landen ten zuiden van de Middellandse Zee. Laatst hoorde ik de premier van Hongarije in een toespraak zeggen, dat Hongarije uitzicht heeft op lidmaatschap van de EG aan het eind van deze eeuw of het begin van de volgende. Dat geeft perspectief, dan hebben mensen minder reden om weg te gaan.”