Lof der cartografie

“Dit is Jeruzalem. Midden onder de volken heb Ik het gesteld, met landen eromheen.” (Ezechiël 5:5)

Er zijn niet veel wonderbaarlijke en tevens oprechte zaken in deze wereld, maar de landkaart is er een van. Naëve Amerikaanse studenten die een paar maanden in Hongarije kennis kwamen opdoen, konden jarenlang met de volgende opdracht in verlegenheid worden gebracht: “Geef de ligging van de steden Boedapest, Wenen en Praag met punten op het bord aan en verbind de punten door lijnen”. Dit was de ouverture van het dertien weken durende seminar Boedapest-Wenen-Praag anno 1900. Elk jaar tekenden de studenten driehoeken van het volgende type:[figuur 1, 2 en 3]Blijkens de door hen getekende figuren meenden de studenten dus dat de stad Praag, die in werkelijkheid twee graden westelijker ligt dan Wenen, ten oosten van Boedapest moest worden gesitueerd. Groot was hun verbazing als ik na deze minuscule vernedering - een der beste didactische middelen waarover de docent beschikt - de met de werkelijkheid overeenkomende, stomphoekige driehoek op het bord tekende:[figuur 4]Vervolgens filosofeerden wij gezamenlijk over het fenomeen afstand. Gewoonlijk vertelde ik dan dat in mijn jonge jaren de afstand tussen Boedapest en Wenen tienmaal zo groot scheen als die tussen Boedapest en Praag, dit vanwege de goedkope vliegbiljetten en de toen zeer beperkte mogelijkheden om naar het Westen te reizen.[figuur 5]“Misschien ligt Praag inderdaad wel ten oosten van Boedapest”, zei mijn geleerde vriend jaren geleden tegen me, toen Husák nog de dienst uitmaakte en er geen tienduizenden op het Wenceslasplein met hun sleutelbossen hadden gerammeld (“het is tijd voor openheid!”).

Die vriend, een der grootste landkaarten-freaks in het gebied tussen Wenen en de Beringstraat, tekende in zijn kinderjaren graag plattegronden van denkbeeldige steden. “Denk eens aan de middeleeuwse kaarten, waarop Jeruzalem altijd in het midden werd getekend; in die tijd was Jeruzalem inderdaad het middelpunt van de wereld, het was dus niet meer dan logisch dat ook op de kaart aan te geven. En neem nu de plattegrond van de Londense metro, die geeft wel een volkomen onjuist, vervormd beeld, maar klopt toch.”

Landkaarten tekenen en drukken is een tijdrovende bezigheid. Als we een bezettingsleger met landkaarten willen misleiden, is het niet voldoende alleen de vijandelijke militairen van valse kaarten te voorzien, we moeten zorgen dat iedereen ze heeft, pas dan is succes verzekerd. In het glasnost-tijdperk is bekend geworden dat de Sovjet-kaarten krioelden van de fouten om eventuele aanvallers te misleiden. Dat dit ook burgers in vredestijd dupeerde, deed er niet toe. De Pragers hadden in '68 geen tijd om hun plattegronden te veranderen, ze haalden eenvoudig de straatnaambordjes weg en stuurden de tanks zo het bos in.

In Praag hoor je tegenwoordig meer Engels dan Tsjechisch spreken. De autochtonen van deze stad mijden de parvenuachtige yankees die zich er kortelings hebben gevestigd. Volgens sommigen zijn het er wel dertigduizend, hoofdzakelijk jonge artistiekelingen, ontluikende talenten die er inspiratie hopen op te doen. Het huidige Praag heeft veel weg van Parijs na de Eerste Wereldoorlog. Alleen om vijf uur 's morgens kun je nog ongestoord over de Karelsbrug slenteren, op dat uur van de dag bevinden zich op de brug slechts enkele tientallen wereldreizigers van het serieuze slag.

Praag maakt zich thans los van de boei waarmee het aan het Oosten was geketend en drijft langzaam maar vastberaden terug naar zijn "oorspronkelijke ligplaats'. Nog vijf jaar en niemand weet meer waar hij deze stad moet zoeken. Op de plaats van Wenen? Van Boedapest? Van Bratislava? En waar zullen die steden zich dan bevinden? Laten we ze maar laten drijven.

(Vertaling: Henry Kammer)