Kleur bekennen

MENIGE MULTINATIONALE onderneming is er al tegenaan gelopen. In De Verenigde Staten zijn zij als werkgever verplicht de etnische herkomst van hun personeel te registreren. In Europa daarentegen gelden dergelijke gegevens als privacygevoelig en is registratie in beginsel verboden. De bedoeling is in beide gevallen hetzelfde, de bestrijding van discriminatie, maar de opvattingen over de geboden aanpak lopen uiteen. Het is maar waar men het accent legt, op de mate waarin minderheden werk hebben of op het gevaar van verkeerd gebruik van eenmaal vastgelegde gevoelige gegevens.

Vorige week liet een meerderheid in de Tweede Kamer de traditionele Europese opvatting los en koos zij in het geval van wetgeving die de arbeidsdeelname van allochtonen moet bevorderen voor registratie. De daaraan ten grondslag liggende diagnose is begrijpelijk. De werkloosheid onder allochtonen is schrikbarend hoog. Eind 1990 hebben de sociale partners op centraal niveau afspraken gemaakt, maar deze hebben tot dusver onvoldoende resultaat opgeleverd. Het kabinet en de indieners van een initiatief-wetsvoorstel waren het er over eens dat bedrijven dienen te worden verplicht gericht beleid te ontwikkelen en daarover te rapporteren. Het verschil zat hem in de mate van openbaarheid.

Daaruit zou men de indruk kunnen krijgen dat de privacy van de bedrijven het grote knelpunt is in het nu aangenomen initiatiefvoorstel. Maar dat valt waarschijnlijk wel mee. Zorg verdient veeleer de privacy van de werknemers die naar etnische afkomst moeten worden geregistreerd wil hun werkgever aan de rapportageplicht kunnen voldoen. De initiatiefnemers willen dit bezwaar verminderen door te bepalen dat de bedrijven de etnische registratie grondig moeten afschermen en alleen in anonieme vorm mogen rapporteren. Bij gerezen twijfel zal de juistheid van de rapportage toch gecontroleerd dienen te worden. Dit geeft al aan dat de waarborgen niet waterdicht kunnen zijn. Eenmaal ingestelde registratiesystemen hebben bovendien de neiging een eigen leven te leiden.

Het grote knelpunt is de vraag wie als allochtoon wordt aangemerkt. In de nieuwe wet is het geboorteland van de betrokken werknemer en dat van zijn ouders bepalend voor de registratie. De bestaande privacywetgeving gaat echter uit van de toestemming van de geregistreerde. Deze discrepantie maakt dat de Eerste Kamer nog wel wat op te merken zal hebben. Registratie op basis van vrijwilligheid kan er op haar beurt toe leiden dat een werkgever openbare kritiek krijgt terwijl hij wel degelijk allochtonen in dienst heeft, die zich echter niet willen laten registreren. De privacybezwaren dreigen dan ook de gekozen aanpak op het spel te zetten.

Privacy behoort tot de rechten van de mens maar het is ook een nogal defensief concept: zo niet. Maar hoe dan wel? Hoe werkt een samenleving aan integratie van allochtonen?

HET PLEIDOOI voor privacy van instanties als de Registratiekamer wint aan kracht als zij ook aangeven hoe het dan wel moet. Voor de beleidsplannen van bedrijven geldt dat zij ook kunnen worden gecontroleerd met behulp van steekproeven. De ervaring in de VS leert trouwens dat personeelsregistratie niet alleen gerichte actie oplevert, maar ook een hoop frustraties. Sleutelfactoren voor de toegang tot de arbeidsmarkt als het onderwijs worden er bovendien niet door benvloed. In Nederland komt daar nog de afwezigheid van een immigratietraditie bij, die maakt dat de drang zich te verbeteren in traditionele gastarbeidergezinnen nogal eens zwak is. Een stimulerende aanpak in buurt en school belooft dan ook meer te bereiken dan een registratie die mensen voorgoed vastnagelt op het feit dat zij officieel te boek staan als probleemgevallen.