Het volgende regeerakkoord

Overmorgen, 7 juli, verschijnt het nieuwe rapport van de "Studiegroep Begrotingsruimte'. Prettige vakantielectuur? Misschien niet, want de leden van die studiegroep zijn hoge ambtenaren met gastinbreng van De Nederlandsche Bank, en stilistische gaven spelen geen grote rol bij de selectie van deze hoofdbeambten.

Taaie lectuur dus, maar wel heel belangrijk, omdat deze "Studiegroep Begrotingsruimte' vergadert over de officiële spelregels voor zaken als het financieringstekort, de totale uitgaven van de overheid, en de belastingen. De hoge ambtenaren bemoeien zich in deze rapporten niet met de vraag wáár de overheid zou moeten bezuinigen of eventueel meer geld uitgeven, maar doen voorstellen aan het kabinet over normen en regels voor de totalen van uitgaven, ontvangsten en tekort. De hoop is dan dat de politici niet te gemakkelijk gouden bergen voorspiegelen aan de kiezers, maar zich houden aan de methodiek van deze Studiegroep. Misschien zouden politici het liefst juist wèl onrealistische beloften doen, maar gelukkig zijn ze ook bang om voor onverantwoordelijk te worden uitgemaakt door hun politieke tegenstanders, dus in de praktijk komt het er in Nederland al gauw op neer dat alle politieke partijen zich voorzichtig aansluiten bij de voorstellen van de studiegroep. Het komende rapport is belangrijk omdat het wel eens de toon zou kunnen zetten voor de financieel-economische plannen van de politieke partijen voor de verkiezingen van 1994.

Hoofdpunt van het vorige rapport uit 1989 was dat Nederland moest doorgaan met het zo precies mogelijk volgen van een regel voor het financieringstekort. Nu is dat nooit eenvoudig, om dezelfde reden dat een bedrijf zich moeilijk kan houden aan een vaste regel voor de winst: tekort (en winst) zijn het verschil van twee bedragen die beide meer dan tien maal zo groot zijn: de uitgaven en de ontvangsten. De uitgaven zijn altijd voor een deel onzeker en onze begroting heeft (anders dan in Frankrijk of Engeland) geen post onvoorzien. Ook de belastingontvangsten kan niemand met zekerheid ramen, en die vallen bijvoorbeeld dit jaar en in 1994 tegen wegens de slappe economische groei.

Onze strakke afspraak voor het financieringstekort dateert uit 1983, en toevallig is de economische groei in alle tien jaar daarna behoorlijk positief geweest. Nu wordt 1993 moeilijk, en staat minister Kok van Financiën voor een lastig dilemma. Praktisch alle andere Westeuropese landen accepteren dat in een slecht economisch jaar hun financieringstekort flink oploopt. Nederland zou dat best wat meer kunnen doen, niet door opeens met geld te smijten, maar eenvoudigweg door niet te tobben wanneer inderdaad de belastingontvangsten tegenvallen. Maar dat maakt minister Kok kwetsbaar voor aanvallen van de oppositie op zijn reputatie van degelijk schatkistbewaarder.

Waarschijnlijk zal de Studiegroep Begrotingsruimte daarom voorstellen om de regel voor het tekort niet meer zo buitengewoon precies na te leven, en in plaats daarvan een meerjarenplanning in te voeren voor de uitgaven en de belastingen. Dat zou al een verbetering zijn bij de huidige situatie die minister Kok buiten diens schuld nu dwingt tot kunstgrepen die de politieke oppositie al gauw noemt “verkopen van het tafelzilver”, of “boterzachte bezuinigingen”, maar die in feite een normale reactie zijn op tegenvallende opbrengsten van de belastingen. De Nederlandsche Bank is nog wel voor strak vasthouden aan een regel voor het tekort, en beroept zich dan op de afspraken in Maastricht. Maar is dat wel een goed argument? Als de ene Europese munt er ooit komt, mag Nederland heus wel meedoen, maar laten wij in de tussentijd een binnenlands financieel beleid voeren dat past bij onze nationale belangen, en die zijn niet gediend met het krampachtig hanteren van een regel voor het feitelijk financieringstekort. Realistischer en ook veel zuiverder zijn afspraken voor de toegestane groei van de uitgaven, en voor de tarieven in de belastingen. Tot nog toe spraken de ambtenaren van de Studiegroep Begrotingsruimte namelijk altijd over de collectieve lastendruk, dat is de verhouding tussen de ontvangsten van de overheid en het nationale inkomen, maar zo'n verhoudingsgetal kan de minister van financiën niet sturen, want hij kent van te voren noch de teller noch de noemer. Veel beter zou het zijn wanneer de Studiegroep Begrotingsruimte nu eens pleit voor een meerjarenplan in termen van tarieven in de voornaamste belastingen. Politieke partijen kunnen dan met elkaar van mening verschillen welke tarieven in de belastingen het meest dringend naar beneden moeten.

Wellicht zal de VVD pleiten voor een verlaging van het gehate toptarief in de inkomstenbelasting van 60 procent tot 50 procent (kosten volgens het Centraal Planbureau: anderhalf miljard gulden). De PvdA heeft al voorgesteld om het arbeidskostenforfait in de inkomstenbelasting te verhogen (kosten: 1 miljard gulden per 1000 gulden verhoging van het forfait). De cijfers tussen haakjes geven aan hoeveel de overheid extra moet bezuinigen om de betreffende belasting te kunnen verlagen zonder dat daarna het financieringstekort hoger blijft dan tevoren. Ik ontleen ze aan een belangrijk nieuw document van het Centraal Planbureau over belastingverlaging. In mijn column van 24 mei jongstleden meldde ik al dat dit nieuwe rekenmodel veel optimistischer is over de gunstige gevolgen van lagere belastingen dan het traditionele rekenmodel. In een reaktie bevestigt drs. Okker, chef van de modellen bij het CPB: “het nieuwe model beschrijft de fiscale invloeden op de arbeidsmerkt op een veel gedetailleerder manier dan het traditionele model. Op het ogenblik beschouwt het CPB het nieuwe model als het meest betrouwbare kompas als het gaat om lange-termijneffecten van maatregelen op het gebied van belasting en sociale zekerheid.”

De verschillen met het oude rekenmodel van het CPB zijn inderdaad frappant. Pas nu blijkt dat een bezuiniging van 1 miljard bij de overheid, gecombineerd met een goed gekozen belastingverlaging uiteindelijk het financieringstekort niet aantast, maar wel de private sector van de economie met 2 tot 2 miljard laat groeien. Dat komt dan vooral door de gunstige uitwerking van lagere belastingen op de werkgelegenheid. Heel lang geleden heette zoiets een "inverdieneffekt', totdat die term tijdens de kabinetten van Den Uyl en Van Agt zo te pas en te onpas werd gebruikt, dat daarna minister Ruding er een streng taboe over uitsprak. Maar als het Planbureau enigszins gelijk heeft dat één miljard bezuinigen bij de overheid uiteindelijk de private sector 2 à 2 miljard rijker maakt, en netto 20.000 - 40.000 banen creëert, dan moeten de politieke partijen maar eens hard aan het werk met het nieuwe rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte om uit te vinden waar Nederland kan bezuinigen en welke belastingtarieven dan naar beneden kunnen. En als het taboe blijft rusten op het woord "inverdieneffect', noem het dan voortaan gewoon "werkgelegenheidseffect', zolang maar de belasting op arbeid naar beneden mag en de werkgelegenheid omhoog.