Foto: Op bovenstaande foto (links) beklimt de ...

Foto: Op bovenstaande foto (links) beklimt de Italiaan Bottechia in 1925 de Col d'Aubisque, daar waar zijn landgenoot Cerutti de befaamde berg drie jaar later met minder plezier bewandelt (rechts).

De 1710 meter hoge Aubisque wordt vanaf de primeur in 1910 bijna ieder jaar in het schema van de Tourorganisatie opgenomen. Dit jaar wordt de Pyreneeen-col op 22 juli beklommen. De cirkel van de dood wordt afwisselend vanuit Laruns (17 kilometer) en vanuit Angeles (30 kilometer, inclusief de Soulor) bestegen. Het stijgingspercentage loopt in beide gevallen op tot ruim 8 procent.

In 1910 was de Fransman Cafourcade de eerste renner die de top van de col hors categorie bereikte. In de jaren vijftig en zestig kwam de Spaanse rasklimmer Bahamontes vier keer als eerste boven. Eddy Merckx besteeg de top in 1969 met een voorsprong van acht minuten, nog steeds een Aubisque-record.

Bernard Hinault bewaart minder eervolle herinneringen aan de berg. De Fransman werd in 1985 gelost op de col, waarna de vooruit rijdende Louis Herrera opzichtig in de remmen kneep om de latere Tourwinnaar van dienst te zijn. Een combine pur sang. Herrera reed in een andere ploeg. Stephan Roche won die dag de etappe: de enige keer dat de Aubisque ook finishplaats was.

De Aubisque is ook synoniem voor de val van Wim van Est. De Beul van het Heike veroverde in 1951 als eerste Nederlander de gele trui in de Tour. Een dag later werd de nieuwe leider getest door een vluchtpoging van de hoog genoteerde Italiaan Magni, een afdaler van het zuivere soort. Van Est, wiens stuurtalenten ver achter bleven bij zijn doorzettingsvermogen, stortte tijdens zijn doldrieste achtervolging in een ravijn. “Zeventig meter viel ik diep, mijn hart stond stil maar mijn Pontiac liep”, luidde de advertentie van het horlogemerk. Hij overleefde de val. Van Est werd omhoog getakeld met aan elkaar geknoopte binnenbanden. Die moest hij op andere dagen, net als Cerutti in 1928, nog zelf plakken. (Foto's Spaarnestad)