De Crau

Verhalen over de parelhagedis. Die wordt gemakkelijk een halve meter groot. Bij mannetjes neemt de kop een derde van het lijf in beslag. De bek is dan behangen met joekels van kauwspieren. Voor een jong konijn draait deze hagedis zijn hand niet om. Als je hem de weg verspert, gaat hij op zijn achterpoten staan. Die durft echt alles aan. Die bijt, die klauwt, die poept, die stelt zich als een gek teweer.

En verhalen over de hagedisslang, ook zo'n kickbokser, één brok driftig zelfbehoud. Tot een meter of twee. Die sist als een binnenband. Die is verwant aan de ringslang; werkt desondanks met gif. Die heeft wenkbrauwen - daardoor een altijd boze blik. Bij deze slang delft zelfs een parelhagedis het onderspit. Ze eet hem doodleuk op.

Met verhalen in het achterhoofd gaan we naar de Crau, een stukje steenwoestijn aan de voet van de Alpilles, kleine alpjes. Het ruikt er intensief naar tijm. Het is er bijna Spaans, zo heet, zo kaal en winderig, zo droog en distelig. De kleine trap, de griel, een zandhoen met een witte buik.

We keren stenen om, vooral de stenen met een ruime onderkant, waaronder iets van schaduw gluurt.

Onder elke steen verbeeld je je een beer van een slang, een stier van een hagedis. Verbeelding is een strenge meesteres. Ze laat geen rust, ze drijft je voort. Ze ziet vooruit wat er had kunnen zijn.