Bourgondisch

Er komt een ondefinieerbaar verlangen naar vroeger over me. Het verleden is heel dichtbij maar ongrijpbaar. Een geur. Een smaak. Iets van waar je bent geweest. Een loom zuchtje wind. Een bloem die even op die zucht beweegt. Een glimlach die me doet denken aan, ja aan wie? Afschuwelijk ontastbaar. Niet te dwingen. Ik sta aan “de rand van het domein van ons geheugen”. De man in de verte die zijn hand opsteekt naar iemand achter een raam waarvan de gordijnen even bewegen. Ik word ondergedompeld in de zwaartekracht van de melancholie. Een muziekje. Een kus? Maar van wie? Van wie is die amandelsmaak? Niemand kan mij helpen. Wat geweest is, is immers geweest? Uitgewist. Voorbij. Een hommel zoemt om mijn Odilon Redon-bouquet. Ik heb het. Wees stil. De geur van overrijp fruit. Perziken, gerookte paling. Ik heb het bijna, dat was toen.... Vergeefs, vergeefs.

Er zijn mensen die geloven in rencarnatie. Dat je er al eens eerder was. Al eerder hebt rondgelopen als mens. Of, als je je in een leven daarvoor niet naar behoren hebt gedragen, als dier. Als je echt vreselijk de beest hebt uitgehangen kom je terug als een van de aller-allersmerigste, walgelijkste weekdieren die je je maar kunt voorstellen. Eentje die op de meest vervuilde zeebodem in zijn eigen slijm moet rondscharrelen met het volle besef wat het goddelijke menszijn betekent. Ik moet er niet aan denken, dat zoiets zou kunnen bestaan. (Dus daar geloof ik natuurlijk niet in.)

En toch weet ik zeker dat ik vroeger, in de 18de eeuw in Frankrijk heb geleefd in de Bourgogne. Niet als dagloner of onderbetaalde stalknecht natuurlijk, nee, als verlicht despoot. Weliswaar ben ik van eenvoudige landadel en kan ik vaak maar met moeite door mijn spilzucht en wanbeheer mijn hoofd boven water houden, maar ik woon op een voorouderlijk château. Ik heb personeel. Ik bezit paarden en landerijen. Ik kan mijn rentmeester uitschelden en na een dronkemansgelag, na de jacht met mijn vrienden, mijn hele kasteel bij elkaar schreeuwen en tieren, omdat mijn kamenier mijn laars niet van mijn voet krijgt. Ik heb grote vergulde spiegels en daar ga ik vaak voor staan. Ik hou van blauwe, zijden kostuums met veel brokaat. Ik ben soms aan de woeste kant maar kan er ook charmant uitzien als ik wat nieuwe pruiken uit Parijs laat aanrukken, me poeder en mijn lakschoenen met zilveren gespen draag. Ik kan grof zijn, maar ben geen onmens. Ik ben, eenmaal goed gehumeurd, heus de kwaadste niet. Ik wil zelfs wel eens bij de dorpsherberg afstappen, me onder plebs en grauw begeven en me te goed doen aan hun boerenkost en voetstampwijn. Ik smijt wat zilvergeld om me heen en ben echt niet te beroerd een oud moedertje wat geld toe te stoppen, en naar haar zorgen te luisteren door haar te beloven dat ze tegen de winter gratis en geheel voor niets hout mag sprokkelen en kastanjes mag rapen in een van mijn weelderige bossen.

Ik word bij dat geslemp natuurlijk een beetje liederlijk. Mijn pruik zit scheef, maar ik maak geen ruzie, schop niemand en blijf vrolijk. Al kwam ik te paard, ik laat me zonder morren op een boerenkar naar mijn slot vervoeren die natuurlijk de oprijlaan mijdt want mijn vrouw is thuis en dat is een lastig kreng dat ik louter en alleen om haar geld heb getrouwd.

Ik heb een goed voorziene bibliotheek waar het ruikt naar boekenleer en vooral naar rozen, want de hoge geopende ramen kijken uit op het rosarium waar Rirette, de dochter van de tuinman, bezig is met rozen snoeien. Ik ben weliswaar vijfenvijftig maar nog stampvol lusten en vol dadendrang als ze bij me in de buurt is. Trouwens wie is er hier eigenlijk de baas?

“Bonsoir monsieur le comte.”

“Bonsoir, ma chère Rirette.” Wat een meid, wat een meid. Ze straalt me tegemoet. Haar blonde vlechten springen onder haar strooien hoed vandaan. Haar borsten lachen mij, ondanks dat ze stevig in haar geborduurde keurslijfje gevangen zitten, uitdagend en uitnodigend toe. Dat is het Franse, adellijke landleven. Dat wordt straks weer een sappige, dolle boel daar in mijn torenkamer. Tenslotte is mijn vrouw met haar kamenierster, ook een sekreet, twee weken op bezoek bij haar zuster die moederoverste is in een klooster. Kun je nagaan. O, Bourgogne, Bourgogne. Wanneer mag ik eindelijk met vakantie?