WATER, SUIKER EN EEN SMAAKJE

Frisdranken in Nederland. Een twintigste eeuwse produktgeschiedenis door Peter Zwaal 400 blz., gell., Stichting BBM (postbus 26155, Rotterdam), f 150,- ISBN 90 74255 05 1

De frisdrank waarmee de bedrijfshistoricus Peter Zwaal opgroeide, heette naar zijn zeggen Sunrise. Het merk werd in de jaren zestig voornamelijk verkocht in Rotterdam en omstreken. ""Vanwege de tractatie die een frisdrank in die tijd nog vormde'' heeft Zwaal precies onthouden hoe de fles er uitzag: ""Een veelkantige glazen fles met een ingebrand etiket - een rijzende zon voorstellend - en een ribbelige schroefdop van lichtblauw plastic. Ach, mocht die fles ooit nog terugkeren, wat een merktrouw consument zou ik mij betonen.''

Dat is de enige nostalgische verzuchting die Zwaal zich in zijn omvangrijke Frisdranken in Nederland veroorlooft. Hij schreef het boek in opdracht van de Algemene Nederlandse Bond van Frisdrankenfabrikanten en Groothandelaren in Dranken en was, zegt hij in zijn voorwoord, ""realistisch genoeg om te beseffen dat jeugdsentiment en andere particuliere genoegens een slechte leidraad vormen voor een produktgeschiedenis''. Ik hield mijn hart vast toen ik dat las. Dit zou toch niet weer zo'n studie zijn waarin een aantrekkelijk onderwerp wordt gesmoord in droge citaten uit de notulen van de bedrijfstakvereniging, kool-en-geit-sparende compromisteksten en een eindeloze reeks foto's van bestuursleden uit de oude doos? Er zou toch hopelijk, in al die vergeelde folianten, nog wel sprake zijn van enig menselijk leven?

Het valt alleszins mee. Zwaal hield de bestuurlijke wederwaardigheden, voor zover ze niet rechtstreeks met de afzet te maken hadden, tot een prijzenswaardig minimum beperkt, nam slechts weinig bestuursfoto's op en schreef in de allereerste plaats een leesbaar verhaal. Het is zelfs niet eens geheel kritiekloos. Weliswaar schuift hij de aantijging dat frisdrank ""niks anders (is) dan water, suiker en smaakje'' al te gemakkelijk als ""simplistisch'' terzijde, maar elders kunnen zijn opdrachtgevers lezen dat VARA's Ombudsman Marcel van Dam in 1970 mede door hun eigen onhandig manoeuvreren veel succes kon boeken met een actie tegen ontploffende frisdrankflessen (de beruchte "Exota-affaire'). En dan te bedenken dat Marcel van Dam een jongere broer is van de oprichter van de Bedrijfscentrale voor het Koolzuurhoudende en Alcoholvrije Drankenbedrijf.

VOLWASSEN PRODUKT

Curieus is het ook dat Zwaal hier de historie beschrijft van een produkt dat tot in de jaren vijftig met zulke onhandige benamingen moest worden omschreven. Het woord frisdrank dateert immers pas uit 1956, toen het reclamebureau Smit's een collectieve advertentiecampagne ontwierp met de slagzin ""Drink fris!'' en in één van de advertentieteksten bijna per ongeluk het neologisme "fris-drank' introduceerde. De campagne heeft volgens Zwaal nauwelijks tot omzetverhoging geleid, maar op zijn minst de woordenschat verrijkt en ""beslist bijgedragen aan het imago van frisdrank als een volwassen produkt''.

Pas daarna, begin jaren zestig, was het de massale introductie van de gezinsfles - en de onstuitbare opmars van de supermarkt als afzetkanaal - die voorgoed een eind maakte aan de frisdrank als luxe artikel voor de zomermaanden. Een paar cijfers illustreren hoe hard het opeens ging: in 1938 dronk de gemiddelde Nederlander nog maar vijf liter per jaar, in 1963 iets meer dan twintig en nu is het al bijna tachtig liter per jaar.

Er is heel wat veranderd sinds het onduidelijke geknoei uit de prehistorie van de frisdrankenindustrie, toen 25 van de 250 leden van de Hersteld Apostolische Gemeente te Amsterdam in 1930, tijdens een uitstapje naar Laren, misselijk werden na het drinken van limonadegazeuse. Zwaal maakt ook van zulke curiosa melding in zijn boek, dat door het overvloedige illustratie-materiaal tevens een beeld geeft van honderd jaar advertentiegeschiedenis. En onderweg komen heel wat vertrouwde merknamen langs: Joy, Ranja, Perl, Riedel. Alleen al om de associaties die die namen oproepen, was het mooi geweest als Zwaal toch ook aan de andere kant van de scheidslijn tussen producent en consument poolshoogte had genomen. Maar nee, hij blijft aan de zijde van de producent staan, zonder te bezien wat die frisdranken bij de verbruikers teweeg hebben gebracht. Méér, denk ik, dan uit zijn boek blijkt.