Tanden op het rechte pad

“Het mooiste”, sprak de orthodontist bij de tweede visite, “zou zijn: opereren. We zagen dan de kaak door en verlengen hem iets, zodat die kin beter uitkomt.” Hij keek erbij of hij zich bijzonder op deze ingreep verheugde.

Dat je je in Nederland nauwelijks meer kunt vertonen zonder een gelijkgeschakeld gebit wist ik. Dat orthodontisten zich ongevraagd ook met kinnen bemoeiden was nieuw voor mij. Lang had ik me afgevraagd waar Marco van Basten en Dennis Bergkamp toch die wilskrachtige kaakpartij en die wat pruilende onderlip vandaan hadden. Nu begon het me te dagen dat hier waarschijnlijk de wilskracht van de orthodontist tot uitdrukking kwam. Uiteraard mag iedereen streven naar een optimale combinatie van resultaat, arbeidsvreugde en inkomen, maar moeten de gezichten van de hedendaagse jeugd nou echt worden geconformeerd aan het schoonheidsideaal van een paar honderd beroepsbeoefenaren? Je kunt volgens mij de scherpe kantjes van een gebit afhalen en minderwaardigheidscomplexen voorkomen zonder meteen een heel gezicht in de renovatie te gooien.

Op mijn briefje stond dat mijn zoon/dochter Herbert op het spreekuur werd verwacht, en daar zat ik dan. Voorbij mijn dertigste en in het bezit van een sterk doch scheef gebit. Links en rechts van mij moeders met hun kinderen. Bevreemde blikken. “Heb jij nooit een beugel gehad”, was me vaak gevraagd. Kijk, tegenwoordig is het misschien zo op de basisschool dat je wordt gepest als je géén beugel hebt. In mijn tijd was het zo ver nog niet. Wij hadden toevallig een tandarts die gebitsregulatie onzin vond en als schooljongen was ik niet van plan om een beugel te gaan bedelen.

Toen ik als puber daar anders over begon te denken was het al te laat. Ze hebben me nog eens getoond wat voor een metaalwinkel ze nodig dachten te hebben om in mijn mond orde te scheppen. Daar moest dan een fenomenaal aantal gezonde kiezen voor wijken - ik dacht zes, al ben ik er niet zeker van. De behandeling zou ten minste twee jaar duren en of het helemaal zou lukken wisten ze niet. Dan maar scheef, dacht ik.

Vijftien jaar later begonnen mijn lippen aan de binnenkant steeds meer rare bulten te vertonen op plaatsen waar er tanden tegenaan leunden. Dat gaf de doorslag, want ongemak heb je van een onregelmatig gebit toch al genoeg. “Wat goed dat je dat laat doen”, vond menige kennis bij het horen van mijn voornemen. “Wat goed dat je dat niet laat doen”, had ik nogal eens gehoord toen ik nog manmoedig met de oorspronkelijke rij tanden rondliep. (Wie zelf aan de normen beantwoordt vindt het heel dapper als anderen dat niet doen.) En zo krijg je de ene ego-boost na de andere.

Toen ik de orthodontist had duidelijk gemaakt dat er niet gezaagd zou worden - die kin leek me meer iets voor over vijftien jaar - konden we zaken doen. Ook nu kreeg ik geen zekerheid dat het "helemaal in orde' zou komen. Wel zou door de vooruitgang van de techniek de behandeling duidelijk zachtzinniger worden dan mij als middelbare scholier was voorgespiegeld. Ik kreeg kleine metalen slotjes op mijn tanden en die werden onderling verbonden met één ijzerdraadje. Dat draadje fungeerde als een soort rail waarlangs de tanden en kiezen keurig naar hun plaats zouden glijden, daartoe zachtjes gedwongen door veertjes en elastiekjes die bij de overeenkomst waren inbegrepen. Er hoefden maar twee kiezen uit. Dat die te sterk waren voor het trekvermogen van de tandarts en dat ik bij een kaakchirurg belandde voor het laten uitbeitelen van de afgebroken wortelpunten valt de orthodontie niet aan te rekenen.

Oh ja, vertelde de goede man nog langs zijn neus weg, ik kreeg ook een "plaatje'. Dat was om mijn boven- en onderkiezen enige tijd van elkaar te houden. Daar gingen ze van "groeien' want kiezen die geen weerstand ondervinden zakken gewoon je kaak uit. Dat zou dan weer de stand van mijn kaak benvloeden, mijn gelaatstrekken, weet ik veel, het was voordelig voor iets of iemand. Omdat ik soms uren op een dag moet telefoneren wilde ik precies weten hoeveel hinder ik daarvan zou hebben. Neenee, het zou natuurlijk wel te horen zijn maar last, echt niet.

Dat plaatje bleek het ergste van alles. Op basis van het woord zou je iets plats verwachten maar dat was het niet. Het was een bonk kunststof, gemaakt op basis van een afgietsel van mijn mond, die nauwelijks ruimte overliet voor mijn tong. Spreken was extreem vermoeiend. Als ik eens ten einde raad het ding eruit haalde, bleek dat ik ook zonder niet meer normaal kon praten. De maaltijd was een hel want het scheen heel belangrijk te zijn om juist onder het eten het plaatje in te houden. En probeer maar eens iets te kauwen als je kiezen elkaar niet raken, en als je mond bij voorbaat al vol is. Intussen gingen mijn tanden en kiezen op pad zodat het plaatje al gauw niet meer paste. Het werd zo'n rammelende ellende dat ik het op eigen gezag afschafte. Dan liever scheef.

Om kort te gaan, de behandeling was een groot succes. Nog voor er een jaar om was had ik een modelgebit. Tenminste naar mijn maatstaven; de orthodontist pruilde nog wat na over de gemiste kaakoperatie. Tot mijn stomme verbazing heeft de verzekering de rekeningen betaald. Vermoedelijk dachten ze dat het ging om een behandeling van mijn zoon/dochter.

Mocht u dus iets van plan zijn, wat het ook is, stel het vijftien jaar uit. Dan kan het waarschijnlijk beter.