Stichting verhuist in 1994 naar pand van voormalig ICA; Zeven vette jaren van De Appel

Moving; t/m 18 juli in De Appel, Prinseneiland 7 Amsterdam, di t/m za 11-17u. AMSTERDAM, 3 JULI. Stichting De Appel verhuist in januari volgend jaar naar een nieuw onderkomen in de Amsterdamse binnenstad, de ruim duizend vierkante meter tellende ruimte van het opgeheven ICA aan de Spiegelstraat. Volgens Appel-directeur Saskia Bos (1948) heeft de eigenaar en oprichter van het ICA, J. Mol, het voor een "symbolisch bedrag" te huur aangeboden. Een verhuizing was overigens al op handen toen Mol zijn aanbod deed. De Appel, opgericht in 1975, is een niet-commerciële instelling die grotendeels drijft op overheidssubsidie.

Voor het eerst sinds haar aantreden in 1984 heeft Bos van rijk en gemeente een structureel hogere financiële steun toegezegd gekregen. Hoeveel meer dat zal zijn dan de huidige vier ton, wil zij niet zeggen: na aftrek van andere posten is het tentoonstellingsbudget volgens Bos "nu eindelijk acceptabel". De kleine staf wordt met één kracht uitgebreid.

In de huidige expositie Moving, de laatste die op het Prinseneiland te zien zal zijn, wordt nu een overzicht gegeven van de kunstenaarsprojecten die daar vanaf 1986 te zien waren. Er zijn een videofilm en diverse diaprojecties waarmee de installaties, die vaak tijdelijk van aard waren en na afloop in het niets verdwenen, steeds werden gedocumenteerd.

Het zijn zeven rijke jaren geweest, zo blijkt uit deze compilatie: we zien onder meer projecten van nu internationaal bekende kunstenaars die door Bos in een vroeg stadium naar Amsterdam zijn gehaald. De Rus Ilya Kabakov bijvoorbeeld, die de ruimte in 1989 inrichtte als een deprimerend appartement, de Duitse Katharina Fritsch die een spookgestalte en een bloedplas aanbracht, terwijl Jeff Koons al in 1987 deelnam aan de groepstentoonstelling "Art of the Real'.

Ook oudere kunstenaars creëerden speciaal voor De Appel installaties, zoals Gerhard Merz, Allen Rupersberg en Ida Applebroog. Verder staan er nu maquettes waarin een aantal exposities is nagebouwd; ze zijn vooral leuk voor hen die de betreffende presentaties indertijd gezien hebben: Matt Mullicans computerbeelden, de met teksten beschreven meubels van Thomas Locher en de conceptuele vazen en foto's van Allan McCollum.

“Bij De Appel verwacht men iets anders dan bij een galerie,” zegt Saskia Bos. “Wij hangen nooit alleen bestaande werken aan de muur. Kunstenaars maken dikwijls een speciaal voor deze ruimte bestemd werk, bij ons hoeven ze bovendien geen rekening te houden met mogelijke verkoop. Het zijn dus de kunstenaars die hier de condities stellen. Het gaat om méér dan het kunstwerk: inhoud en ruimtelijke werking staan voorop.” In die lijn passen ook de prachtig verzorgde boekjes die naderhand over elk project werden uitgegeven bij wijze van documentatie en waarin naast de foto's steeds een essay is opgenomen.

In het nieuwe pand zal het huidige beleid globaal worden voortgezet. Bos heeft nog geen plannen willen maken. “Het nieuwe gebouw moet ik nog in mijn vingers krijgen. We zijn nu met een architect bezig over een bescheiden verbouwing. Zoals het gebouw nu is, is het prachtig, maar meer geschikt om schilderijen op te hangen. Het moet aangepast worden aan onze manier van werken, bijvoorbeeld met meer gesloten ruimtes en een eenvoudiger, helderder indeling. Het gebouw is drie maal zo groot als ons oude pand, en heeft ruimtes met heel verschillende lichtval en sfeer. Ik kan me goed voorstellen dat er meerdere projecten tegelijkertijd te zien zullen zijn in afzonderlijke zalen. Ook lijkt het me zinvol om eens iets drie maanden achter elkaar te laten staan. Een gevaar van zo'n groot oppervlak is wel, dat jonge kunstenaars zich geprest voelen om meer ruimte te vullen dan ze aankunnen. Wij moeten ze ervoor hoeden dat de spankracht niet verloren gaat.”

De Appel wordt wel geassocieerd met meer politiek georiënteerde kunst; in Moving zijn bijvoorbeeld twee video-interviews te zien met de geëngageerde kunstenaars Dennis Adams en Hans Haacke. Het politieke lijkt de laatste tijd weer terug te komen in de kunst, zoals tenminste wordt gesuggereerd op de Biënnale in Venetië. Bos: “Ik denk dat allerlei vormen van maatschappelijke betrokkenheid nooit zijn verdwenen, maar er was een tijd lang minder belangstelling voor. Er zijn maar weinig kunstenaars die zo'n onderwerp op een goede manier aanpakken: politieke kunst moet niet algemeen zijn, maar persoonlijk. Wij hebben hier diverse vrouwelijke kunstenaars als Annette Lemieux en Ida Applebroog gehad die bezig zijn met sexual politics, een thema dat het laatste decennium veel voorkwam, onder meer bij Barbara Kruger, Jenny Holzer en General Idea.” Bos is echter geen voorstander van de "kwasi-pornografie' die nu in Amerika circuleert in antwoord op de censuur jegens seks en homoseksualiteit: “Dat is een burgermoraal waar wij hier niet tegenaan hoeven schoppen, denk ik.”

Bos benadrukt, dat zij geen program heeft. Zij concentreert zich niet op één thema of één stijl, maar wil "de bewegingen van de kunst' volgen. Het gevaar van de zoektocht naar niet-westerse kunst, zoals met de grote Parijse expositie Magiciens de la Terre is begonnen, is dat die soms resulteert in "een enkele Egyptenaar die ineens overal wordt uitgenodigd om te exposeren'. “In het centrum Witte de With in Rotterdam wordt op een zinvolle manier discussie gevoerd over de kunst van buiten het Westen. Dat hoeft De Appel dus niet meer te doen.”

Bos werd genoemd als mogelijke opvolger van Wim Beeren in het Stedelijk Museum. Heeft ze nog wel zin om door te gaan met De Appel? “Ja! Heel veel! Ook door de mogelijkheden die de nieuwe ruimte biedt. Bovendien ben ik allerminst pessimistisch over de kunst, er zijn zoveel verschuivingen, er is van alles te doen. Ik reis nu door Europa om jonge kunstenaars te ontmoeten. Ik kan er nog niets over zeggen, dat laat ik volgend jaar aan de nieuwe Spiegelstraat zien.”