POSTMODERN PROVINCIALISME

Moderne Franse filosofen. Foucault, Ricoeur, Irigaray, Baudrillard, Levinas, Derrida, Lyotard en Kristeva door Th. de Boer e.a. (redactie: H. E. S. Woldring) 139 blz., Kok Agora, f 29,90 ISBN 90 391 0545 6

Past Imperfect. French Intellectuals 1944-1956 door Tony Judt 348 blz., California University Press 1992 (Passé imparfait. Les intellectuels en France, 1944-1956, Arthème Fayard 1992), f 66,50 ISBN 0 520 07921 3

De laatste tijd liggen de boekwinkels van Parijs weer vol met spraakmakende wijsgerige werken. In de collegezalen gonst het opnieuw van intellectuele opwinding. Karl Popper, Hannah Arendt en John Rawls zijn namelijk door de Fransen ontdekt, vele decennia nadat de rest van de wereld dat deed. Ook wordt gretig teruggegrepen naar de klassieken van het filosofisch individualisme: Thomas Hobbes en John Locke verschenen onlangs in een nieuwe vertaling, de lang versmade Benjamin Constant en Alexis de Tocqueville zijn weer in genade aangenomen.

Anderzijds is de reputatie van de eigentijdse Franse denkers bij hun landgenoten zelden zo laag geweest als tegenwoordig. Het aantal politiek-culturele blaadjes dat in Parijs circuleert, in de naoorlogse jaren nog bijna honderd, is nu op de vingers van één hand te tellen. Flamboyante intellectuelen als Bernard-Henry Lévy, die zichzelf zo vaak naar voren dringt als opvolger van Sartre, Camus dan wel Aron, wekken nog slechts vermoeide verveling. Juist in deze neo-marxistische Althusseriaan, die net op tijd "nieuwe filosoof' werd alvorens bij het verlopen van het tij het kamp der liberaal-democraten binnen te vluchten, herkennen de Fransen alles wat verkeerd is gegaan met het denken van eigen bodem. Na de ondergang van het communisme en de komst van McDonald's op de Champs Elysees is in Frankrijk immers ook iets veel fundamentelers aan scherven gevallen: het geloofsartikel dat Parijs het wijsgerig centrum van de wereld is.

Des te opmerkelijker is het dat de hedendaagse "post-structuralistische' of "postmoderne' Franse filosofie, zo langzamerhand bijna dood en vergeten in eigen land, elders wel aftrek vindt. In de Verenigde Staten, zelfs Engeland, en niet in de laatste plaats in Nederland zijn er velen die denkers als Jean Baudrillard, Jacques Derrida, Jean-François Lyotard, Luce Irigaray, Julia Kristeva en Jacques Lacan - to round up the usual suspects - de moeite waard vinden.

DRIJFZAND

Het is overigens geen toeval dat deze fans van het postmodernisme vooral te vinden zijn bij nieuwe wetenschappelijke disciplines die op zoek zijn naar een theoretisch fundament (zoals vrouwenstudies) dan wel disciplines die grote methodologische crises achter de rug hebben (antropologie, sociologie), of disciplines die voortdurend op wetenschappelijk drijfzand balanceren (theologie, moraalfilosofie). De postmoderne wijsbegeerte is schijnbaar gericht op de "deconstructie' van de werkelijkheid en de interpretatie van menselijke communicatie, maar blijkt vooral geschikt als imponeermiddel. Zo doneerde enige tijd geleden de Universiteitsraad van de Universiteit Utrecht zonder discussie een subsidie van bijna veertigduizend gulden aan een congres voor vrouwenstudies. Er was geen begroting, er waren geen sprekers, er was geen programma, maar het zou in ieder geval een postmodern symposium worden.

Onlangs verschenen twee boeken die elk op hun eigen wijze belichten hoe de Franse wijsbegeerte in deze zonderlinge positie is verzeild. De bundel Moderne Franse filosofen bevat beknopte bijdragen over Michel Foucault, Paul Ricoeur, Luce Irigaray, Jean Baudrillard, Emmanuel Levinas, Jacques Derrida, Jean-François Lyotard en Julia Kristeva. Die zijn alle geschreven door wijsgeren van de calvinistische Vrije Universiteit, behalve één die afkomstig is van een filosoof van de Katholieke Universiteit Brabant.

Het verbaast dus niet dat de Fransen gepresenteerd worden als ""tolken van hun tijd'', die ""een hedendaags levensgevoel van de mens in verband met vragen naar de zin van leven en seksualiteit, van geschiedenis en toekomst'' verwoorden, en bovendien ""naar nieuwere wegen in het doordenken van die zin-vragen'' zoeken, terwijl ""in de discussie over die zin-vragen de moderne mens als vragensteller zelf ter discussie staat''. Hier vindt men, kortom, de typisch Nederlandse, wee-makende verstrengeling van moraaltheologie en wijsbegeerte in een notedop.

Overigens is deze bundel alleszins informatief. Ongewild maken de bijdragen duidelijk dat de moderne Franse filosofen fundamenteel obscurantistisch zijn. Zo wordt trouwhartig vermeld dat de Lacaniaanse psychopathologe Luce Irigaray met opzet volstrekt onbegrijpelijk is (""zonder traditionele argumentatie'' schrijft zij haar alternatieve ""écriture féminine'' dat ""de mannelijke orde van het discours moet wakker schudden''), en dat Lyotard systematisch discussies ontwijkt door eenvoudigweg ""bezwerend te roepen dat na Auschwitz bepaalde stellingen niet meer kunnen''. Bovenal blijkt weer hoezeer het Franse denken sinds de 19de eeuw verdwaald is de labyrinten van de Duitse hermeneutiek en fenomenologie.

SCHERPSTE PEN

Dat deze ontwikkeling niet van vandaag of gisteren is, wordt blootgelegd in het briljante Past Imperfect. French Intellectuals, 1944-1956 van de Amerikaanse hoogleraar Europese Studies Tony Judt. Van de vele Angelsaksische geleerden die momenteel adembenemend goede boeken over Frankrijk publiceren, heeft hij de scherpste pen en het onbarmhartigst oordeel over de traditie van Franse intellectuele dubbelhartigheid, zelfoverschattende verbositeit en filosofische impotentie. Eerder bleek dat uit Marxism and the French Left (1986), en nu richt hij zijn fileermes op de generatie die in het naoorlogs decennium wereldwijd de toon zette. Hij concentreert zich daarbij op de "marxisant gauche', de toonaangevende linkse intellectuelen, zoals Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir en hun talrijke meelopers, die bereid waren vanuit hun existentiefilosofie de ogen te sluiten voor de uitwassen van het stalinisme, maosme en anderszins reëel bestaande socialisme.

Het gaat Judt daarbij niet om het feit dat men heil zocht in linkse ideologiën, maar wel om de even absurde als absolutistische claim op morele autoriteit en op eigen gelijk, die iedere mogelijkheid tot afwijkend denken smoorde in verdachtmakingen en uitstoting. En hier ontrafelt hij een traditie die veel verder gaat dan Sartre en Beauvoir (wier onbaatzuchtige toewijding hij ergens wel kan waarderen) en de postmodernisten (wier chaotische agenda grotendeels bepaald is door de traumatische instorting van het links-existentialistische wereldbeeld).

De kracht van dit boek schuilt in de anatomie van de lange wortels die het on-liberale Franse denken heeft: sinds de Revolutie van 1789 wordt de positie van het individu volgens Judt in Frankrijk chronisch verward met die van de citoyen, de burger wiens rechten verknoopt zijn met het wel en wee van de staat. Zo groeide niet het besef van rechten van het individu die de macht van de staat inperken, maar van de verantwoordelijkheid van de burgers voor de verworvenheden van de staat, die juist bedreigd werden door het liberalisme (verbonden als dat was met de constitutionele monarchie). Het begrip "individualistisch' heeft in het Franse denken ook altijd een negatieve bijklank gehad.

Bovendien gaf de Revolutie voeding aan de gedachte dat iedere beoogde verandering radicaal, totaal en nietsontziend moest zijn. Dit is wellicht ook de achtergrond van de enorme invloed die de Duitse wijsbegeerte met haar claim op alomvattendheid kon hebben op het Franse geestesleven. Vooral sinds het einde van de vorige eeuw gingen door toedoen van Henri Bergson de anders zo gesloten luiken in Parijs open voor Hegel, Nietzsche, en vooral Heidegger en Husserl. Heidegger zelf merkte ooit smalend op: ""Als Fransen beginnen te filosoferen, denken ze in het Duits''; en Marcel Déat schreef later juichend dat ""het succes van Sartre betekende dat eindelijk de onomkeerbare verduitsing van het Franse gedachtengoed gelukt is''.

Zo zijn de Franse intellectuelen twee eeuwen verknoopt geweest in Duitse transcendentalisme, hetgeen ten slotte is uitgemond in de pretentieuze woordenpraal van de postmodernen. Schijnbaar wilden die juist afrekenen met de "grote verhalen' van de oude wijsbegeerte (vooral het rationele Verlichtingsdenken); in feite omvatte hun boodschap van relativiteit en fragmentatie wederom op een totalitaire manier niets minder dan de gehele kosmos. Uit Past Imperfect blijkt dat verbazend weinigen hieraan konden ontkomen (met Voltaire en Raymond Aron heeft Frankrijk slechts twee oorspronkelijk liberale denkers gehad, schrijft Judt wel erg streng). Nog verbazender is dat wat de wereld lange tijd slikte als diepzinnige wijsgerige exercities bij nader inzien uitingen blijken van geestelijk provincialisme.

Het probleem met veel Franse filosofen is geweest dat ze de wereld wilden verklaren. Wijsbegeerte is daarvoor echter een ontoereikend middel. ""Het doel van de filosofie is de logische verheldering van gedachten'', heeft Wittgenstein eens geschreven. Iedereen die niet zo bescheiden wil zijn, maar op zoek gaat naar de zin van het leven, verlaat het domein van de wijsbegeerte en betreedt de onbegrensde vlakten van het geloof.