Militaire Loyaliteit

Militaire ambtenaren die tegen het wettig gezag opstaan zijn in de Nederlandse defensiegeschiedenis een zeldzaamheid. Voordat luitenant- generaal H.A. Couzy in november vorig jaar zijn roemruchte "loyaliteitsverklaring" over het defensiebeleid van minister Ter Beek liet verspreiden en eieren voor zijn geld koos om ontslag te voorkomen, waren in deze eeuw nog maar twee dissidente militaire chefs de laan uitgevlogen op grond van politieke insubordinatie: generaal Snijders in de Eerste Wereldoorlog en generaal Kruls in 1950 (het ontslag van generaal Reynders in de mobilisatie van '39 hing eerder met incompetentie samen dan met deloyaliteit).

Kruls vormt van dat tweetal eigenlijk een geval apart. Hij was een hoogst competente militair, die zijn politieke superieuren (onder wie een non-valeur) zowel organisatorisch als intellectueel veruit de baas was en zozeer zijn eigen weg ging dat hij politiek niet meer gehandhaafd kon worden. De toenmalige chef-staf - de eerste moderne professional die het vak tijdens de Tweede Wereldoorlog in Engeland had geleerd - moest het veld ruimen op grond van eigenschappen die in het ambtenarenreglement niet worden genoemd zoals eigenzinnigheid en non- conformisme, maar hij moest er vooral uit omdat de regering al een anarchistische militair in het leger had die haar boven het hoofd groeide. Met die ander (prins Bernhard) was hij de politieke hierarchie als het ware ontgroeid. Maar Kruls was overtuigd democraat: hij stelde zich op het standpunt dat militaire leiders die het regeringsbeleid niet meer konden steunen bij een gewetensconflict uit hun functie dienden te verdwijnen (memoires mr. H.J. Kruls, blz. 195). Met de rechtse politici die in de dagen van de controversen over Indonesie bij hem op de stoep stonden wilde hij niets van doen hebben (zoals de verwarde oud-premier Gerbrandy, die hem de leiding van een putsch aanbood, tot zijn teleurstelling ondervond).

Generaal Couzy volgde niet "de koninklijke weg", maar voegde zich na zijn openbare kritiek op Ter Beeks reorganisatieplannen zoals afschaffing van de dienstplicht weer in het gareel. De minister nam genoegen met Couzy's publieke steunbetuiging en toonde zich daarmee lankmoediger dan zijn overige ambtgenoten die liever gezien hadden dat de Bevelhebber van de landstrijdkrachten in overeenstemming met de Kruls-doctrine de consequentie uit zijn kritiek had getrokken. Het was wijs beleid van Ter Beek om Couzy in staat te stellen zich aan zijn marsorder te conformeren, maar als hij de pas benoemde en nog niet gedresseerde Bevelhebber de mond had willen snoeren had hij hem, met een ster extra, naar de Navo moeten promoveren.

In maart van dit jaar kwam Couzy weer in botsing met de politiek, deze keer met de Tweede Kamer, die zojuist besloten had Nederlandse militairen in VN-verband in te zetten in het voormalige Joegoslavie. Couzy vond dat die beslissing op een lichtvaardig oordeel had gesteund. Dat kwam hem op een openbare oorvijg van premier Lubbers te staan, die op zijn wekelijkse persconferentie zei dat Couzy "iets te ver" was gegaan. Intussen was er een debat ontstaan over de vraag of de kritiek die Couzy had uitgesproken niet geheel binnen de werking van zijn grondwettelijke rechten viel. De Nederlandse Officierenvereniging noemde de steunbetuiging een afgedwongen loyaliteitsverklaring die er volgens haar op wees dat de minister een grondrecht c.q. het recht op meningsuiting wilde inperken.

Van diverse kanten worden op dit punt te grote woorden gebruikt. Er is geen enkele reden voor de vrees dat de regering van plan is de hand aan de grondrechten te slaan (het kabinet zou het niet lang maken als het met zo'n voorstel in de Kamers zou verschijnen) en men hoeft niet bang te zijn dat de militairen in Nederland de regering willen overnemen (minister Vredeling hield kort voor de bekendmaking van de regeringsverklaring over de Lockheed-smeergelden in 1976 enkele uren rekening met de mogelijkheid van een militaire putsch).

Met de politieke kritiek van militairen loopt het overigens niet zo'n vaart. Van antiparlementaire societeitsvorming is geen sprake en de botsing tussen de bevelhebber der Landstrijdkrachten en de minister van defensie is trouwens de eerste sinds het generaalsconflict uit 1973 (over de organisatie van het leger waarbij vijf opperofficieren gedwongen werden ontslag te nemen dan wel de eer aan zichzelf hielden). Bovendien is niet elke vorm van kritiek op het beleid die aan de lippen van een generaal ontsnapt onwettig. Couzy's kritiek op de herstructurering van de krijgsmacht was dat wel (dat zag hij bijtijds zelf in, vandaar zijn "steunbetuiging"), maar zijn kritiek op de uitzending van militairen naar Bosnie was dat zeker niet. Couzy ging te ver door een oordeel aan zijn waarschuwing te verbinden, maar hij was volkomen gerechtigd een waarschuwend oordeel over de toestand in het oorlogsgebied uit te spreken. Ter Beeks onmiddellijke voorgangers Bolkestein, Stemerdink en Van Mierlo hadden zich in een interview met Elsevier al eerder veel minder krampachtig over Couzy uitgelaten (volgens Van Mierlo mocht Couzy zelfs "zeggen wat hij wil"), en het zou ook te gek zijn als het oordeel van een man die in dit opzicht bij uitstek deskundig is en die de militaire risico's van een VN-operatie als geen ander kan beoordelen niet gehoord zou mogen worden. Couzy hoeft niet te zeggen wat de Kamer moet vinden, maar hij moet wel kunnen zeggen wat de kamer naar zijn mening moet weten.

Bij dit alles mag de politieke conjunctuur natuurlijk niet buiten beschouwing worden gelaten, waarbij voor conjunctuur gelezen moeten worden: kwaliteit minister. Couzy's actie maakte duidelijk dat minister Ter Beek zijn zaken niet beheerste en bijgevolg de greep op zijn beleid kwijt was. Een minister van defensie die niet op het ene moment met de bajonet voorwaartse sprongen maakt en op het volgende moment terugdeinst en met een zwalkende lijn zijn gezag ondermijnt, zal geen opstandige ambtenaren tegenover zich vinden.

Het geval Couzy diende op een symposium van hogere en middelbare ambtenaren deze week als een vogelverschrikker waaraan de waarschuwing was verbonden dat ambtenaren die hun minister voor de voeten lopen met de wet in de hand eruit gezet zullen worden. Maar hoeveel ambtenaren lopen nu eigenlijk de minister voor de voeten? Buiten het geval Couzy bestaat er geen ander vergelijkbaar geval (van ambtenaren die de dagelijkse directe omgeving van de minister vormen). Men onderschat de omvang van de psychologische barrieres. Een ambtenaar die zijn minister in het openbaar tegenspreekt of afvalt, moet een flinke portie moed verzamelen. Voordat hij dat doet moet hij (zij) zich losmaken van zijn ambtelijke bedrijfscultuur (schutkleur, esprit de corps, loyaliteit) en de beschutting van zijn departement achter zich laten. Maar als dat bij uitzondering gebeurt, moet de (gewetens)nood wel heel groot zijn. Dat zou eerder een reden voor serieus onderzoek moeten zijn dan voor het aanspannen van een ontslagprocedure.