Jeugdcriminaliteit verhard, niet toegenomen

De tolerantie tegenover jeugdcriminaliteit loopt terug. In de politiek klinken pleidooien voor werkkampen waar etnische jongeren onder militaire tucht een vak wordt geleerd, en voor een apart schoolvak "orde en discipline'. Korpschef Wiarda van Utrecht suggereerde stokslagen weer in te voeren, omdat “een kleine tuchtiging impasses kan doorbreken”. Deel vier in een serie: jeugdcriminaliteit.

ROTTERDAM, 3 JULI. “U moet zich niet voorstellen dat de kring van kinderrechters het op de agenda zet; punt drie: zwaardere straffen voor jongeren. Maar we straffen wel degelijk zwaarder en we volgen daarmee de tijdgeest. De pendule is weer teruggezwaaid. Regel is regel, orde is orde, tucht is tucht”, zegt de Haagse kinderrechter P. Kalbfleisch. Hij is er niet ontevreden over.

De statistieken

Waar de bezorgdheid over criminele jongeren vandaan komt, mogen de sociologen van de toekomst vaststellen. Maar zoals vaker bij dit soort veranderingen in het mentale klimaat, vindt de zorg slechts ten dele steun in de statistieken. Een explosieve stijging van de jeugdcriminaliteit is momenteel niet aan de orde. Wel is er sprake van een verharding.

Volgens de WODC-studie "Ontwikkelingen van de jeugdcriminaliteit' liep in de jaren 1980-1990 de jeugdcriminaliteit in absolute zin licht terug, wat niet verwonderlijk is. Het aantal jongeren van 12 tot 18 jaar verminderde in die periode met een kwart. In totaal kwam in 1990 3,3 procent van de jeugd in aanraking met de politie; 5,5 procent van de jongens en 0,5 procent van de meisjes.

Vooral de groei in de hardere vormen van criminaliteit valt op. Onder jongens namen gewelddelicten in tien jaar met 38 procent toe, met name onder de noemer "eenvoudige mishandeling'. Diefstal met geweld, inbraak en afpersing nam onder jongens met 25 procent toe. Die trend zette zich ook na 1990 voort, op het gebied van geweldsmisdrijven zelfs versneld: waren er 2.041 verdachten in 1990, in 1992 waren dat er al 2745.

Veel aandacht was er de afgelopen jaren ook voor het grote aantal allochtone jongeren dat met de politie in contact kwam. De statistieken bevestigen dat. In 1990 is berekend dat een derde van de Marokkaanse jongens ooit in aanraking kwam met de politie. Voor Surinaamse en Turkse jongens golden percentages van 23 en 22, voor Nederlandse jongens was het 15 procent.

De politie

Brigadier H. Stap heeft zijn cliëntèle in de afgelopen achttien jaar zien veranderen. “In 1975 kreeg ik te maken met Nederlandse jongens uit sociaal zwakke gezinnen. Vader in de WAO, zit de hele dag thuis, er komt ruzie, de jongen gaat op straat rondzwerven. Dat genre. Nu zie ik Kaapverdianen, Surinamers, Marokkanen, Turken, allemaal met hun eigen problemen.”

Criminaliteit onder allochtone jongeren stelt de politie voor problemen. Stap: “We zijn in Rotterdam nu bezig met de opleiding van Marokkaanse contactfunctionarissen, want de communicatie met de ouders blijft een moeilijk punt. Ze vinden ons wel lief en aardig, maar het liefst zien ze dat hun zoon wordt opgesloten en een behoorlijk pak slaag krijgt. Daarnaast zijn die jongens slimme rakkertjes, zij zijn taalvaardig en hebben daardoor een machtspositie tegenover hun ouders. Sturen wij de vader een brief met het verzoek om langs te komen, dan moet de zoon die vertalen en dat gebeurt vaak heel creatief.”

Stap hecht echter weinig geloof aan alarmerende verhalen over toenemende gewelddadigheid, wapenbezit en bendevorming onder de jeugd. “Het gros van wat we zien, blijft klein grut. Een inbraakje op school, brommerdiefjes. Het is vaak opgroeigedrag, in het verlengde van baldadigheid. Ze schrikken van hun eerste aanhouding, krijgen een alternatieve sanctie en je hoort er nooit meer iets van. Bij zwaardere delicten zijn het steeds dezelfde jongens. Een harde kern, daar kan je als jeugdpolitie meestal ook niet veel mee.”

De bestraffing

Lichte vergrijpen - vandalisme, winkeldiefstal, vuurwerkovertredingen - stuurt de politie tegenwoordig in overleg met de officier van justitie direct door naar het plaatselijke Halt-bureau. In 1981 begonnen als een Rotterdams experiment, zijn er nu zo'n zeventig bureaus in heel Nederland. De dadertjes kunnen hier met twee of drie dagdelen arbeid hun registratie in het strafregister afkopen en een schaderegeling treffen met slachtoffers.

A. Kievit, sinds 1983 verbonden aan Halt-Rotterdam, is een voorstander van een zo nauw mogelijke band tussen misdrijf en straf. “Als een jongetje met zijn werp-ster op een boom heeft geoefend, moet hij meelopen met de plantsoenendienst. Als hij aan graffiti doet, moet hij zijn eigen tag wegschrobben. Des te beter als dat op de Lijnbaan is, waar al zijn vrienden hem kunnen zien.”

De typische Halt-overtredingen werden vroeger, wegens overbelasting van het justitieel apparaat, vaak geseponeerd of met een waarschuwing afgedaan. Halt is daarom bepaald geen verzachting van het strafklimaat, waar het wel eens voor wordt aangezien.

Bij de bestraffing van ernstiger delicten valt de opkomst van de alternatieve sanctie op. In 1990 werden er 2.800 alternatieve sancties voor jongeren uitgesproken, tegenover 300 tien jaar eerder. De straffen zijn indertijd bedoeld als alternatief voor vrijheidsstraffen, maar sommige advocaten menen dat het in praktijk ook wel wordt toegepast bij vergrijpen die vroeger niet voor tuchtschool in aanmerking waren gekomen. De procedure werkt als volgt: de rechter verdaagt de zitting, geeft de jongere kans om een alternatieve sanctie te ondergaan en veroordeelt hem daarna tot een voorwaardelijke straf.

Kalbfleisch profileert zich graag als no-nonsense kinderrechter. Hij was aanvankelijk niet zo gecharmeerd van alternatieve sancties. “Ik kon het me helemaal voorstellen: kratje bier, radio aan en dan het plafond van het buurthuis witten. Dat is toch minder erg dan een maandje tuchtschool. Er werd naar mijn idee onvoldoende geleden. Maar het duurt veel te lang om een plaats te krijgen in een tuchtschool. Als het eenmaal zover is, is de jongen al meerderjarig.” Kalbfleisch is inmiddels een gereserveerd voorstander van alternatieve sancties, naar eigen zeggen niet alleen uit bovengenoemde, pragmatische motieven. “Je ziet dat sommige dingen echt werken. Het wordt langzamerhand een soepel systeem, met allerlei opleidingen, cursussen, bezoeken aan gevangenissen.”

Maar soms werkt het niet. Kalbfleisch: “Dan komen ze Hassan of Pietje weer tegen. Het is mooi weer, ze hebben trek in een biertje dus moet de parkeerautomaat eraan geloven. Als ik ze voor een tweede keer voor me krijg, verdienen ze een trap onder hun achterste, naar de tuchtschool. Jammer dan van die mooie vakantie naar Turkije of dat baantje bij de Kommar. Zoals ze bij cricket zeggen: If you have to hit them, hit them hard.”

Volgens Kalbfleisch zijn met name Marokkaanse jongens ongevoelig voor alternatieve sancties. “Ze zijn vaak uiterst lastig, ontkennen alles, ook tegen beter weten in. Ze hebben moeite met dienstverlening, doen het werk slordig, komen niet opdagen. Er valt vaak geen afspraken met ze te maken. Ik probeer ze niet harder te straffen dan Nederlandse jongens. Ze krijgen hun kans op een alternatieve sanctie, maar als dat misloopt is het pats, de volle mep.”

De jeugdinrichting

De druk op de justitiële jeugdinrichtingen is groot. De capaciteit bedraagt momenteel 832 bedden voor jongeren van 12 tot 18, waarvan 360 voor opvang en 472 voor behandeling. Behalve voo tuchtschool kunnen jongeren namelijk in aanmerking komen voor behandeling in het kader van de zogeheten jeugd-tbr of "buitengewone behandeling' (PIBB).

Kralingen, een opvanginrichting voor jongeren in Rotterdam, is met 25 pupillen een van de kleinste van het land. Toch werd de inrichting in februari opgeschrikt door een opstand, waarbij voor 35.000 gulden aan schade werd aangericht. Volgens directeur G.J. Van Egmond was dat mede het gevolg van onderbezetting van personeel, waardoor jongeren te lang in hun cel zaten. Van Egmond: “De druk op het personeel groeit. Er zitten meer jongens tussen met gestoord gedrag. Bij andere inrichtingen zijn er ook al wat gijzelingspogingen gedaan. Het risico bestaat dat het een gewone gevangenis wordt, dat je alleen nog aan beheersing denkt en de pedagogische opdracht niet meer serieus neemt.”

Het plaatsgebrek in jeugdinrichtingen betekent dat alleen de zeer zware delicten overblijven: gewapende roofovervallen, diefstal met geweld, verkrachtingen, doodslag. Van Egmond: “Vroeger zaten er nog jongens tussen die je mee naar buiten neemt om een vrachtwagen uit te laden. Nu zouden die gelijk weglopen. Het zijn meestal individualisten, die alleen samenwerken als ze er belang bij hebben. En ze werken planmatiger, plegen een bepaald misdrijf soms bewust met de gedachte dat ze nog geen 18 zijn, dus niet zo zwaar gestraft worden. Een deel is gewetenloos, het gros heeft wel besef van goed en kwaad, maar is niet in staat de druk van een groep te weerstaan.”

De directeur is dan ook geen verklaard tegenstander van "kampementen', of "rijkswerkinrichtingen', zoals hij ze liever noemt, waar jongeren langere tijd verblijven, straf en werk wordt gecombineerd en er na de straftijd voor werk wordt gezorgd. Dergelijke werkinrichtingen zijn bedoeld voor jongeren tussen 16 en 24 jaar, ten dele de doelgroep van de huidige jeugdinrichtingen. Volgens de nog diffuse Haagse plannen zouden er bij de begeleiding ex-militairen worden ingeschakeld en gesloten kazernes worden gebruikt. Zo is een vooroorlogs beeld ontstaan van werkkampen, waar ontspoorde jongeren in de frisse buitenlucht arbeidsvreugd wordt bijgebracht.

Minister Hirsch Ballin (Justitie) heeft nog voor volgend jaar veertig extra plaatsen te creëren volgens het kampement-model, maar de plannen zijn nog niet rond. Intussen buitelen jeugdhulpverlening, het alternatieve sanctie-circuit en jeugdinrichtingen over elkaar heen met voorstellen om de werkkampen vorm te geven. “We hebben hier weer wat te vergeven”, zegt een medewerker van het ministerie van justitie.

De stichting Bijzonder Jeugdwerk (BJ), die jaarlijks tweeduizend jongeren helpt, heeft al aangeboden de opvang te verzorgen. Twee Haagse medewerkers van de Kinderbescherming kwamen onlangs met een drie-fasenplan, "Op de toppen van je kunnen'. Eerst garnalen vissen bij Katwijk, waarna het gezamelijk pellen van garnalen de teamgeest te vergroot. Vervolgens moeten de jongens een bospad aanleggen bij Oostvoorne, en tenslotte gaan ze vier weken spitten om de afkalving van eiland Rottumeroog tegen te gaan.

Van Egmond ziet van zijn kant liever dat bestaande jeugdinrichtingen worden uitgebreid met faciliteiten van rijkswerkinrichtingen: “Er zijn op dit moment al inrichtingen die vakopleidingen bieden, of de detentie afsluiten met een stage of een opleiding, dus zo'n grote stap is dat niet. Het personeel zou deels kunnen worden uitgebreid met ex-militairen. Binnen het personeel is er altijd een instroom geweest van militairen. Maar het is niet genoeg om alleen ervaring te hebben met discipline.”

Voor de jeugdhulpverlening, het onderwijs en de jeugdinrichingen heeft de opwinding over jeugdige criminelen stellig zonnige kanten: men kan weer met succes pleiten voor stopzetting van de bezuinigingen, die in de afgelopen jaren hard toesloegen. De gemeente Rotterdam besloot dit jaar de jeugdhulpverlening al in de jongste bezuinigingsronde te ontzien. Hoe terecht de zorg over toenemende criminaliteit onder de jeugd is, blijft intussen een open vraag.