IN HOLLAND STAAT EEN HUIS

Huizen in Nederland. Architectuurhistorische verkenningen aan de hand van het bezit van de Vereniging Hendrick de Keyser. Deel 1: Friesland en Noord-Holland door R. Meischke, H. J. Zantkuijl, W. Raue, P. T. E. E. Rosenberg 336 blz., gell., Waanders / Vereniging Hendrick de Keyser 1993, f 59,95 ISBN 90 6630 406 5

In vergelijking met buurlanden als Duitsland of Engeland is het wetenschappelijke onderzoek van oude woonhuizen in ons land pas laat van de grond gekomen. Een echte hoogvlieger is deze onderzoeksrichting dan ook nooit geworden. De architectuurhistorici, opgevoed in de kunsthistorische traditie, achtten woonhuizen alleen een onderzoek waard als ze door bekende architecten waren gebouwd of konden pronken met fraaie voorgevels.

Zelfs waar onderzoek van de grond kwam, bleef dat veelal aan de oppervlakte. Men beperkte zich tot een beschrijving van het uiterlijk van het pand en meende daaruit de huisgeschiedenis voldoende te kunnen afleiden. Kwam de slopershamer eraan te pas, dan ontbrak in de regel elk toezicht op de afbraak, waardoor de laatste kans werd verspeeld de huisgeschiedenis in kaart te brengen. Zo moeten er nog na de Tweede Wereldoorlog duizenden middeleeuwse huizen in ons land spoorloos zijn verdwenen, zonder dat een documentatietekening of zelfs maar een goede foto van het interieur rest.

Het is dus geen wonder dat in de eerste helft van deze eeuw het woonhuisonderzoek in Nederland zwaar leunde op de inzet van enthousiaste enkelingen zoals de Amsterdamse restauratiearchitect A. A. Kok. De nieuwe, meer technisch-wetenschappelijk gerichte benadering die in Duitsland in de jaren dertig gangbaar werd, kwam bij ons pas twintig jaar later van de grond.

De man die in Nederland voor het eerst experimenteerde met deze methodiek was ir. Rudie Meischke, in de jaren vijftig hoofd van de gemeentelijke Monumentenzorg in Amsterdam. Zijn beide toenmalige assistenten, Henk Zantkuijl en Herman Janse kregen de vrijheid om nieuwe wegen te bewandelen. Zij begonnen kappen en balklagen te onderzoeken en baksteenformaten en metselverbanden te vergelijken. Meischke zelf concentreerde zich op het archiefonderzoek, waarbij hij vooral de middeleeuwse bouwverordeningen onder de loep legde.

Deze onderzoeksmethoden, die los stonden van de gebruikelijke kunsthistorische stijlanalyse, leidden tot een belangrijke doorbraak. Blinde muren en eenvoudige woonhuizen zonder decoratieve elementen konden nu voor het eerst betrouwbaar worden gedateerd. Inmiddels is deze onderzoekswijze geëvolueerd tot een volwaardige vorm van archeologie onder de naam "bouwhistorie'.

HENDRICK DE KEYSER

De eerste nieuw verworven inzichten werden in 1968 door Meischke en Zantkuijl vastgelegd in Het Nederlandse Woonhuis, 1300-1800, een fors boek dat werd gepubliceerd ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van de monumentenvereniging Hendrick de Keyser. In dit werk werden alle huizen uit het bezit van deze vereniging geanalyseerd en beschreven. Onbedoeld gold deze publikatie tot voor kort als de belangrijkste monografie op het gebied van de Nederlandse woonhuisgeschiedenis, hetgeen ook blijkt uit de prijs die in de antiquarische boekhandel moet worden betaald voor de zeldzame exemplaren die in omloop zijn.

Het 75-jarige jubileum van Hendrick de Keyser in 1993 was een goede aanleiding een bijgewerkte heruitgave van dit klassieke boek te maken. Naast de oorspronkelijke schrijvers werden twee nieuwe auteurs uit de vereniging aangezocht, W. Raue en P. Rosenberg, om de huizen nader te onderzoeken en te beschrijven. Al snel bleek het onderzoek zo ver uit te dijen dat de resultaten niet in een enkele band konden worden vastgelegd. Besloten werd de uitgave op te splitsen in vier regionale delen. Het eerste deel van Huizen in Nederland. Architectuurhistorische verkenningen aan de hand van het bezit van de Vereniging Hendrick de Keyser, dat Friesland en Noord-Holland tot aan de stad Haarlem behandelt, is onlangs gepresenteerd. De overige drie delen, waarvan het eerstvolgende geheel aan Amsterdam is gewijd, zullen de komende jaren uitkomen.

Het thans voorliggende werk is een (dank zij subsidies) prachtig verzorgde en waardige opvolger van Het Nederlandse Woonhuis. De tekst behelst een algemene bespreking van de ontwikkeling van de huizenbouw en het bouwbedrijf door Meischke, alsmede een overzicht van de individuele panden in bezit van de Vereniging Hendrick de Keyser. Hoewel professor Meischke ongetwijfeld de eerste zal zijn het te ontkennen, zullen velen deze boekenreeks lezen als zijn wetenschappelijke testament; het resultaat van een leven lang onderzoekswerk naar de geschiedenis van het Nederlandse woonhuis.

Het blijvend belang van Meischkes bijdrage aan de ontwikkeling van de bouwhistorie ligt vooral in zijn documentatie van de ontwikkeling van het bouwbedrijf. Toen hij met zijn onderzoekingen begon, werd er binnen de architectuurgeschiedenis nog slechts gezocht naar beroemde architecten en hun "geniale concepten'; de rest van het steigervolk werd simpelweg doodgezwegen. Meischke richt zich niet op de hemelbestormers, maar bespreekt de alledaagse organisatie van het werk van metselaars, timmerlieden en stucadoors. Hij probeert te achterhalen waar vaklieden aan hun kennis kwamen, van wie zij hun bouwmaterialen betrokken en hoe zij hun arbeiders betaalden.

Cruciaal in de ontwikkeling van het bouwvak in Nederland was de periode omstreeks 1600. In de middeleeuwen had de opdrachtgever in feite zelf de centrale spil op de bouwplaats gevormd; hij financierde de bouw niet alleen, maar moest die vaak ook zelf plannen, voor de materialen zorgen en per dag arbeiders inhuren. Op grotere werken werd hem dit werk voor een groot deel uit handen genomen door een meester; op diens traditionele vakkennis berustte de degelijkheid van de constructie. Aan het eind van de zestiende eeuw veranderde deze organisatie ingrijpend toen een meer planmatige werkwijze werd gentroduceerd. Bestek, begroting, aanbesteding, bouwtekening, aannemer en onderaannemer werden in betrekkelijk korte tijd gangbare zaken.

KUNSTMINNENDE HEREN

Het waren vooral schilders, steenhouwers en beeldsnijders die de eerste gebouwontwerpen op papier zetten; zij waren immers het meest vertrouwd met de klassieke vormgevingsprincipes die toen in de mode waren. Zij waren het ook die de bouwondernemers in de loop van de 17de eeuw leerden tekenen. Veel geld leverde dat aanvankelijk niet op; de "architect-avant-la-lettre' die niet bij de uitvoering van zijn ontwerp werd betrokken, kon beslist niet van zijn werk leven. Ontwerpen-om-het-ontwerpen was toentertijd dan ook een tijdverdrijf voor vermogende, kunstminnende heren.

Van de architectuurgeschiedenis naar pure bouwhistorie is een flinke stap. Het tweede deel van Huizen in Nederland lijkt dan ook veeleer gefundeerd op een reeks verkenningen op het grensvlak tussen beide disciplines, aangevuld door archiefonderzoek. Dat kan de onderzoekers niet worden verweten; het is in de praktijk immers ondoenlijk om bewoonde en in gebruik zijnde huizen van kap tot kelder op bouwhistorisch verantwoorde wijze te onderzoeken.

Behalve veel foto's van de onderzochte huizen bevatten dit deel van het boek ook plattegronden en reconstructietekeningen door H. Zantkuijl. Helaas is hierbij geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen wat is waargenomen en wat is gereconstrueerd; nu is de historische betrouwbaarheid niet te controleren.

Dat neemt niet weg dat de waarnemingen voor de aandachtige lezer zeer de moeite waard zijn. Uit de beschrijvingen blijkt bijvoorbeeld dat zeker de helft van de onderzochte huizen in Haarlem ouder moet zijn dan de 16de- of 17de-eeuwse voorgevel doet vermoeden. Zo blijkt uit het onderzoek van de jaarringen in een balk van de kap, dat het huis Spaarne 108, het vroegere domicilie van de schilder Verwey, ondanks het jaartal 1637 op de voorgevel, oorspronkelijk al aan het einde van de 14de eeuw moet zijn gebouwd. De schrijvers vermelden echter slechts in twee gevallen de oorspronkelijke bouwdatum van zulke verbouwde panden. Elders zijn ze veel terughoudender over de datering, alsof zij niet durven te bekennen dat veel van onze 16de- en 17de-eeuwse monumenten in feite verbouwde (laat-)middeleeuwse woonhuizen zijn.

Misschien heeft de visie van Meischke op de ontwikkeling van het middeleeuwse woonhuis daar veel mee te maken. Zoveel middeleeuwse stenen woonhuizen is hem wellicht wat teveel van het goede. Het beeld dat hij in zijn inleiding schetst, is immers dat er omstreeks 1500 op de grote "zaalhuizen' van de stadsadel na, nog maar weinig stenen huizen in de noord-westelijke steden waren; de kleine "lange huizen' zonder verdieping en met rieten daken en wanden zouden volgens hem tot ver in de zestiende eeuw overheersen.

Voor wie vertrouwd is met de recente resultaten van het bouwhistorisch en archeologisch onderzoek in Utrecht en Den Bosch, schetst Meischke hier echter een archasch beeld. Baksteen blijkt in die steden al vóór 1350 het normale bouwmateriaal voor gewone woonhuizen te zijn geweest, zodat de verstening daar omstreeks 1400 al een heel eind gevorderd was. Het is moeilijk denkbaar dat steden als Haarlem, Alkmaar en Leeuwarden twee eeuwen achter die ontwikkeling aanliepen.

Hier wreekt zich dat Meischkes chronologische reconstructie hoofdzakelijk op archivalische bronnen is gebaseerd. De dateringen die hij aan middeleeuwse stadskeuren ontleent, blijken in de praktijk vaak moeilijk te interpreteren; als er bijvoorbeeld rond 1540 een verbod op houten wanden wordt uitgevaardigd, zijn er dan nog veel of juist maar heel weinig van dergelijke muren in de stad aanwezig? Helaas is er in de steden tussen Haarlem en Leeuwarden nog veel te weinig diepgravend bouwhistorisch onderzoek gedaan om antwoord op die vragen te geven. Voorlopig blijft er dus alle ruimte voor een strijd der hypotheses. Meischke en de zijnen hebben in deze discussie in ieder geval een duidelijke voorzet gegeven, de voorzet waarmee het nieuwe woonhuisonderzoek van start kan gaan.