Hang naar publiciteit bevordert quasi-wetenschappelijke vondsten; Ook de medische wereld kent dubieuze praktijken die veel publiciteit trekken

De wetenschap is meer dan ooit in hoog publiek aanzien gekomen. Vandaar dat elk nieuw idee of markante vinding direct de televisie haalt en met een voor iedereen toegankelijke toelichting wordt geëtaleerd. De wetenschappers en ook hun managers, die moeten zorgen voor de middelenstroom die veelal uit de publieke sector komt, hebben er elk belang bij hier aan mee te doen. Ook in de persoonlijke sfeer is aan de weg timmeren met wetenschappelijke resultaten gunstig voor een wetenschappelijke loopbaan.

In zo'n belangensituatie zijn vervalsingen in de wetenschap, plagiaat en te rooskleurig beschreven wetenschappelijke voorstellen goed denkbaar. Onlangs verscheen het boek "Bedrog in de Nederlandse wetenschap' van F. van Kolfschooten met veel voorbeelden. Vooral in de VS staat het bedrog in wetenschap sterk in de publieke belangstelling. Het boek "Betrayers of the Truth', klachten van wetenschappers in de pers en het werk van een commissie uit het Amerikaanse Congres trokken veel aandacht.

De ernst van deze zaak heeft niet zo zeer te maken met wetenschappelijke publikaties in de vakliteratuur die direct door kritische en deskundige vakgenoten worden beoordeeld. Ideeën in een onrijp stadium kunnen onder vakgenoten een discussie uitlokken en mogelijk al zoekend de aandacht op iets nieuws vestigen. Blijkt het na enige tijd toch niet vruchtbaar te zijn dan wordt het snel vergeten en was er in het algemeen geen sprake van fraude maar eerder van te veel enthousiasme en te weinig zelfkritiek. De voortgang van de wetenschap wordt er even door misleid maar niet door bedreigd.

Hoeveel anders is de situatie in onze tijd als het maatschappelijk relevant onderzoek betreft waar het grote ondeskundige publiek wel degelijk in genteresseerd is. Er is dan geen sprake van een kritisch forum, het wordt voor juist aangenomen en men voelt zich vaak al direct bevrijd van een dreigend probleem. Deze hoera-stemming en lof voor de wetenschap is een uitstekende voedingsbodem om meer steun voor het onderzoek te krijgen. Hier ligt een grote verleiding.

Dit verlangen naar publieke aandacht en het aan de weg timmeren werkt als een boemerang als later blijkt dat men bedrogen is. De wetenschappelijke wereld oordeelt dan ook niet direct onverdeeld gunstig wanneer plotseling een "nieuw' idee of "markante' vinding op de tv wordt aangekondigd en breed wordt toegelicht welke begerenswaardige maatschappelijke effecten te verwachten zijn. Immers het is niet alleen tot schande van de direct betrokkenen, maar de geloofwaardigheid van de wetenschap als geheel, die zonder het respect van de samenleving niet kan gedijen, is in het geding. We kennen in dit verband een aantal markante beweringen van de laatste jaren die het aanzien van de wetenschap hebben aangetast.

In de energieproblematiek haalde een tweetal "geleerden' uit Utah de voorpagina's met de stoute bewering dat zij via een simpele weg van koude fusie een vrijwel onuitputtelijk energiereservoir hadden ontsloten met als consequentie dat ons energieprobleem met bijbehorende milieu-effecten zoals koolzuur en zwavel voor altijd waren opgelost. Ofschoon al direct de ter zake deskundige wetenschappers de bewering sterk in twijfel trokken ontstond er toch in de samenleving een zekere euforie en werden er spoedig veel fondsen voor aanvullend onderzoek beschikbaar gesteld, vooral in de VS.

Ook de medische wereld kent dubieuze praktijken die veel publiciteit trekken. Vooral als het gaat om een afdoend medicijn tegen kanker of aids. Ook al worden bevindingen onder enig voorbehoud gemaakt men creëert bij het grote publiek hoge verwachtingen omdat de wens de vader van de gedachte is.

Het geval van de bolbliksem is menigeen niet ontgaan. Quasi-wetenschappers beweerden over een werkwijze te beschikken die kleinschalig en ook weer relatief eenvoudig fusie-energie kon opwekken. Ter zake deskundige wetenschappers waren bij deze berichten direct sceptisch, maar dit weerhield velen niet het toch te geloven. Uiteraard weer veel publiciteit en de "uitvinders' stelden een lucratieve onderneming in het vooruitzicht. Een daarbij behorende aandelen-emissie van vele miljoenen werd door het onwetende publiek geslikt. Het is een voorbeeld van legale oplichting.

Ook komt het voor dat opzienbarende experimenten op zichzelf juist zijn, maar dat zij al snel als wetenschappelijke of technische vindingen worden aangekondigd die maatschappelijk op korte termijn een grote aanwinst beloven te worden. Er ontstaan overspannen verwachtingen die veel teleurstellingen kunnen geven. De publicitaire activiteiten buiten de vakliteratuur zijn daarbij niet altijd uitsluitend afkomstig van de werkers in het veld, maar veeleer uit het management dat een kans ziet voor meer steunverlening. Zo was er veel euforie over de vinding van een hoge temperatuur supergeleiding. De beschreven experimenten waren indrukwekkend en werden snel door anderen bevestigd. Er ontstonden evenwel grote verwachtingen. Het daarop volgende grootschalige, vooral op toepassingen gerichte onderzoek heeft tot nog toe slechts weinig opgeleverd. De aandacht voor deze ontwikkeling is dan ook sterk verminderd. Ook al was hier de integriteit van de wetenschappers zelf niet in het geding, valt toch te vrezen dat men in de publieke sector sceptischer is geworden.

Maar wat te denken van een Russische geleerde die zich recentelijk bij het Energie Centrum Nederland (ECN) aandiende met de wetenschap dat de tweede hoofdwet van de thermodynamica die dateert uit de tijd van de eerste stoommachine als achterhaald kan worden beschouwd en dat hij daarover binnen het ECN een voordracht houdt. Alsof het destijds om een modieus verschijnsel ging. Deze wetenschapper beweerde aan de hand van eigen berekeningen dat de tot dusver aanvaarde thermodynamische hoofdwet niet klopt en dat wel degelijk alle warmte-energie in mechanische of electrische energie kan worden omgezet. In het NOVA tv-programma dat dit nieuws bracht werd bovendien toegelicht dat warmte bij elektriciteitscentrales en dieselmotoren voor 100 procent in electrische of mechanische energie zou kunnen worden omgezet in plaats van 40 procent zoals nog steeds bereikt wordt in overeenstemming met de thermodynamica. Als het waar was zou dit de vinding van de eeuw zijn.

Ofschoon de algemeen aanvaarde tweede hoofdwet uit de thermodynamica slechts op basis van empirische gegevens werd gepostuleerd en bij alle ontwerpen de voorspellingen voor warmtekracht-machines in de praktijk op basis van deze wet bevestigd worden, zal geen serieuze wetenschapper op dit verhaal van de Rus willen ingaan. Wat het ECN als belangrijk onderzoekscentrum beoogt om met deze wetenschapper contact op te nemen en hem vervolgens met zijn beweringen vanuit het ECN via de tv onder de aandacht van het publiek te brengen is niet te vatten. Hoopt men met deze publicitaire stunt uiteindelijk meer steun voor het energiecentrum te verwerven, of is men geneigd er in te geloven?

Men kan verbaasd blijven hoe misleiding in de wetenschap zo'n gemakkelijke kans krijgt bij het publiek. Dit is des te opmerkelijker omdat de wetenschappelijke traditie gekenmerkt wordt door een kritische benadering van nieuwe verworvenheden en dat de gerenommeerde vaktijdschriften voor hun publikaties een streng referee-systeem hanteren. Dit leidt ertoe dat wetenschappers onder vakgenoten veelal behoedzaam zijn en bescheiden naar buiten treden. Als echter de wetenschappers van nu, gezien de grote financiële offers die zij veelal uit de publieke sector vragen en de vaak gestelde maatschappelijke relevantie van hun onderzoek, onvermijdelijk in de brede publiciteit komen, dan is het te wensen dat hun voorzichtigheid en verantwoordelijkheid navenant is. Gedreven wetenschappers zijn intens bij hun werk betrokken en hebben dan ook een groot wetenschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel. Toch zullen we ter bescherming van de wetenschappen en van hen die daarin de maatschappij dienen de publieke informatie over opzienbarende wetenschappelijke beweringen onder deskundig toezicht moeten stellen. Het komt ook de kwaliteit van het medium ten goede. Het respect van het publiek voor de wetenschap zal er op den duur bij winnen.