Goed nieuws!

Vaak bereikt de krant een klacht van een lezer die vindt dat er zo weinig moois en vrolijks in staat. Journalisten, schrijft hij, moeten wel cynische mensen zijn, of erger. Hij verdenkt ons ervan dat we er in stilte plezier in hebben om zijn humeur te bederven door iedere dag de pagina's met ellende te vullen, terwijl er nog zoveel moois in de wereld is.

Ons antwoord is dan dat we zelf ook wel anders zouden willen en dat we wel degelijk oog voor het mooie hebben. Maar als deze lezer iedere dag een krant vol opmonterend positief lebensbejahend nieuws in de bus zou krijgen, zou hij misschien tot zijn verbazing merken dat die lectuur hem binnen een paar dagen ging vervelen en dat hij ons er bovendien van verdacht, hem iets op de mouw te willen spelden. Het is niet de schuld van de journalist dat de krant geen foto van het eerste lentelammetje meer op de voorpagina zet. Als de lezer één lentelammetje heeft gezien heeft hij ze allemaal gezien en dan wil hij weer eens een foto van een Britse prins en een prinses die met elkaar zijn getrouwd en niettegenstaande deze verbinding, of juist daarom, ieder een andere kant op kijken. Wij journalisten willen juist graag goed nieuws brengen, maar al te vaak hebben we de wereld en de geschiedenis tegen ons.

Om te bewijzen dat het bij ons van de krant ook anders kan als het de andere mensen maar echt willen geef ik twee voorbeelden. Het eerste is een hoofdartikel in de New York Times van 1 juli. Ik vertaal:

""EEN GLIMLACH OP EEN ZOMERAVOND

Zaterdagavond. Buiten dromde zoals altijd de menigte door de straten en de lucht was zwaar en vochtig als een natte handdoek. Binnen was het koel. De stilte werd alleen verbroken door geklik van de computertoetsen en het zacht dreunen van de airconditioning. Plotseling stond de man van zijn toetsenbord op. Het was tijd om de televisie aan te zetten en te horen of Luciano Pavarotti goed bij stem was.

Ja, Pavarotti was goed bij stem; misschien niet meer de tenor van jaren geleden maar nog altijd een zanger die de snaren van de ziel kon treffen en de cataracten van de tranen kon openen - zelfs dat. Maar mooier zelfs nog dan zijn stem was de aanblik van de stad die, al was het maar voor een paar uur, vrede met zichzelf had.

Het licht van de ondergaande zon veranderde de torens die Central Park begrenzen in kartonnen knipsels tegen de diep rode hemel en verfde het gras in een merkwaardig, intens groen. Het publiek, het leek wel een doorsnee van alle volken ter wereld, zat op dekens of in dekstoelen en als ze in hun handen klapten deden ze dat hoog boven hun hoofd.

Er werd ook veel geglimlacht en toen het einde van de avond was aangebroken en Pavarotti zijn onverslijtbare O Sole Mio aanhief kwam uit de menigte een lang dankbaar Oooooh!

New York is een harde stad en is dat altijd geweest, en het wordt steeds moeilijker er wat sentimenteel van te worden. Maar niet op deze zaterdagavond. Afgelopen zaterdag verzamelden zich bijna 500.000 mensen om naar de muziek te luisteren. En allen zongen, ieder op zijn eigen wijze.''

Als dat geen goed nieuws is, bovendien verwoord in een hoofdartikel in de meest gezaghebbende krant ter wereld! De flower power is daar nog niet helemaal uitgewoed, zal men zeggen. Eerst waaien de winden om de rotsen, dan begint het eeuwig zingen der bossen en tenslotte vindt men de weg tot elkander. Zo lusten we er nog wel eentje. Laat dat tweede voorbeeld maar eens horen!

Welnu. Ik stond in de rij voor een kassa van Woolworth met een pak van mijn lievelingskoekjes. Ze zijn daar altijd vers en goedkoop. Voor me stond een man van een jaar of zestig met een paar pantoffels in zijn hand, van dat ouderwetse binnenkamerschoeisel waarbij je je stoelen met antimakassars voorstelt en een vrouw met een grijs knoetje.

Aan de beurt van afrekenen was een vrouw van een jaar of dertig, mager op het schonkige af en in vale kleren. Ze wilde zich twee rolletjes pepermunt aanschaffen. We hoorden een muntstuk op de grond vallen. Ze bukte zich, zocht, zocht verder, zocht wanhopiger maar nergens een muntstuk behalve een koperen cent, een paar meter verder. Die had daar de hele tijd al gelegen, dat had ik gezien. De man voor me raapte het muntje op, gaf het haar en zei: ""Hier is uw penny.''

""Nee,'' zei ze. ""Het was een kwartje.''

Het kwartje was verdwenen. Ze maakte aanstalten om één rolletje terug te geven. Ik zag hoe de man voor me in zijn zak rommelde, opnieuw bukte en zich triomfantelijk weer oprichtte met het kwartje tussen duim en wijsvinger. ""Het lag daar onder die richel,'' zei hij.

Ze gaf hem één blik van de diepste dankbaarheid, betaalde voor twee rolletjes pepermunt en verdween.

Ik wist wel zeker dat het kwartje uit de zak van de pantoffelkoper was gekomen. De caissière van de kassa naast de onze had alles gezien. Ze gaf de man een blik van vriendelijke verstandhouding en dat was dat.

Wat zou ik doen? Deze toevallige Harun al Rasjid een schouderklopje geven? Hem daardoor misschien een gevoel van gêne, betraptheid bezorgen (wat zeker niet zijn bedoeling was geweest)?

Het is te weinig voor een hoofdartikel, maar in zo'n stukje als dit kan het wel.