Een stad op dik water

Met een dansfeest, wijkwandelingen, rondritten, een rondetafelgesprek, een talkshow en een diner besluit Rotterdam dit weekeinde vier Dagen van de Architectuur gewijd aan de naoorlogse woonwijken.

Deze wijken vormen het onderwerp van Architecture International Rotterdam (AIR), een acht maanden durende manifestatie die is gericht op het wonen, leven en werken in nieuwbouwbuurten. Het programma wordt in oktober en november afgesloten met een driedaags symposium, de première van een film, verschillende publikaties en een groot opgezette tentoonstelling in de Kunsthal. Daar zullen de resultaten te zien zijn van de opdrachten die de Rotterdamse Kunststichting gaf aan architecten als Rem Koolhaas en de Amerikaan Robert Geddes, enkele beeldend kunstenaars, twee filmers en een aantal fotografen, onder wie de Engelsman Nick Waplington, de Fransman Jean Louis Schoelkopf en de Nederlander Hans Aarsman.

Zoals blijkt uit de titel van deze expositie, "De Alexanderpolder - waar de stad verder gaat', ligt de nadruk op dit stadsdeel aan de oostkant van Rotterdam. Vandaag het eerste deel van een serie over het leven in het laagste stukje van Nederland: een volgens buitenstaanders saaie polderwijk waar de bewoners naar hun gevoel "koninklijke loge' zitten.

Voor er zich stadsmensen vestigden, waren Het Lage Land en Ommoord kaal en onherbergzaam. Veehouder Piet Koene weet nog dat degenen die uit Hillegersberg kwamen het aan den lijve voelden als zij de Rotte waren gepasseerd. Wie de brug over was, dook immers zo de polder in en daar was het altijd koud en dampig. Koeien die elders waren geboren, gingen er meestal dood.

Misschien heeft het er iets mee te maken dat de Alexanderpolder, een drooggelegd plassengebied, het diepst gelegen deel is van Nederland. Als de dijken doorbreken, staat het water er vier tot zes meter hoog. Bijna een meter hoger nog zou de waterspiegel zijn op de plek waar nu de Berninistraat ligt: pal naast een elf verdiepingen tellende galerijflat bevindt zich het laagste punt van Europa. Veel bijzonders is daar niet te zien, maar een raadslid van D66 vindt dat dit moet veranderen. Zo mogelijk met steun van de Raad van Europa wil de politicus een "merkteken' laten aanbrengen (hij denkt aan een waterkolom) die deze plek tot een bezienwaardigheid maakt.

Tot eind jaren vijftig hadden buitenstaanders in dit gebied niets te zoeken. De stille polder telde een beperkt aantal boerderijen en, langs de wegen naar Zevenhuizen en Nieuwerkerk, een paar

"zalen van kamers', de kozijnen waren gemaakt van palissander of meranti-hout en in de betere flats was plintverwarming aangebracht: ""We vonden het al gauw ouderwets de kamerdeuren dicht te doen, als je wilde liep je de hele dag in je ondergoed.''

Sahara

Buiten de deur was het minder aangenaam. De eerste bewoners, ook wel aangeduid als pioniers, verkeerden jarenlang in een woestenij vol bouwketen waar planken dienst deden als voetpaden. De mensen vergeleken hun woonomgeving met de Sahara en, in mindere mate, Siberië: gebieden die te boek staan als bar en onherbergzaam. Herkenningspunten ontbraken, wie drie minuten rondfietste wist niet meer waar hij was.

""Onze flat stond zomaar ergens, je had het idee dat hij evengoed ergens anders had kunnen staan'', zegt meneer Janssen. ""Overal om je heen was zand'', weet mevrouw Van Niedek nog. ""Als het even woei, moest je een bril op om de ogen te beschermen en zodra het regende was het één modderpoel. Het bezoek deed bij de deur de schoenen uit, anders ging je vloerbedekking naar de knoppen.'' Men is het erover eens dat de slechte wegen het ergst waren: in de bus schudde je uit elkaar, 's winters waadde je tot de knieën door de sneeuw naar het station en wie pech had viel met de fiets in een kuil en brak zijn enkel.