EDUARD BERNSTEIN; Een roepende revisionist in de marxistische woestijn

Eduard Bernstein 1850-1932. Eine politische Biographie door Francis Ludwig Carsten 239 blz., C. H. Beck 1993, f 76,- ISBN 3 406 37133 7

In november 1959 hield de Westduitse sociaal-democratische partij een driedaags congres te Bad Godesberg. Doel van de bijeenkomst was het opstellen van een nieuw partijprogramma. Vernieuwend werd dat programma zeker; het "Godesberger Programm' had alles weg van een interne revolutie. Zonder veel discussie en met overweldigende instemming verwierp de SPD de marxistische leerstellingen, die vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw het fundament van de partij hadden gevormd. De klassenstrijd, de komst van de socialistische samenleving, het leerstuk van de "Verelendung', de verpaupering van het arbeidersproletariaat - kortom, het complete socialistische credo werd op de schroothoop der geschiedenis gedumpt.

Het bestaan van de DDR waar het socialisme op geheel eigen wijze in de praktijk werd gebracht, en de zegeningen van het "Wirtschaftswunder' waren niet vreemd aan deze beslissing. Maar in feite had de partij zich al sinds het einde van de vorige eeuw weinig of niets meer aangetrokken van de klassieke leerstellingen. Zo bezien, kwam hij eigenlijk wat laat, de stap van 1959.

Een halve eeuw te laat welbeschouwd! Al voor de eeuwwisseling had Eduard Bernstein zijn partijgenoten in de SPD gewezen op de onhoudbaarheid van de marxistische dogma's. Tijdens een langdurig verblijf in Engeland had hij in 1899 Die Voraussetzungen des Sozialismus und die Aufgaben der Sozialdemokratie geschreven, en daarin had hij uiteengezet dat de door Marx voorspelde ineenstorting van het kapitalisme, de ""grosse Kladderadatsch'', niet zou plaatsvinden. Het was niet waar, zo betoogde Bernstein, dat de kapitalistische samenleving in twee vijandige kampen uiteenviel en dat de bezittende klasse der bourgeoisie uiteindelijk het onderspit zou delven in de strijd tegen het revolutionaire proletariaat. Integendeel: hij beschreef uitvoerig hoe de zelfstandige ambachtslieden zich hadden weten te handhaven en hoe er tussen arm en rijk een snel groeiende nieuwe middenstand van beambten en beoefenaren van het vrije beroep ontstond.

PROFIJT

Bernsteins conclusie was duidelijk, en radicaal tegengesteld aan de visie van Marx: de sociale structuur van de moderne samenleving werd eerder complexer dan eenvoudiger. Ook had de arbeidersklasse als geheel profijt van de kapitalistische ontwikkeling. De "Verelendung' was een mythe, de economische positie van de arbeiders was zichtbaar verbeterd. Het marxisme, stelde hij, werd te zeer door romantische wensvoorstellingen beheerst om wetenschap te mogen heten.

De sociaal-democraten wachtten dan ook, aldus Bernstein, tevergeefs op de revolutie. Hun politiek van polariserende oppositie in het nationale parlement, de "Reichstag', was nutteloos. Die vergrootte slechts het politieke en maatschappelijke isolement van de arbeidersklasse. En op die integratie van de arbeiders in de samenleving kwam het volgens Bernstein juist aan. Volgens hem behoorden de socialistische partijen alles in het werk te stellen concrete sociale hervormingen langs parlementaire weg door te voeren. Daartoe dienden zij samen te werken met de burgerlijke partijen, om te beginnen met de links-liberalen.

Bernstein wilde met de Voraussetzungen des Sozialismus slechts de kloof tussen theorie en praktijk dichten. Tenslotte was samenwerking van sociaal-democraten met andere partijen in diverse Duitse steden en regio's al lang een feit - met vruchtbare resultaten. Niettemin veroorzaakte het boek een crisis binnen de SPD. Bernsteins inzichten betekenden een rechtstreekse aanval op het marxisme, dat onder regie van Karl Marx en Friedrich Engels zelf, binnen de SPD en de Socialistische Internationale heilig was verklaard.

Het was dan ook niemand minder dan partijtheoreticus Karl Kautsky die zich opwierp als de verdediger van de orthodoxie. Hij sneerde dat Bernstein, die tussen 1878 en 1901 in ballingschap had geleefd, het zicht op de politieke werkelijkheid van het continent had verloren. Zijn verblijf in Engeland had hem veel te optimistisch over de mogelijkheden van de democratie gemaakt.

Kautsky kreeg de meerderheid achter zich. Bernsteins revisionisme, zoals de theoretische bijstelling van het marxisme al vlug heette, werd verworpen. Ook de voorgestelde samenwerking met de burgerlijke partijen werd afgekeurd. In 1904, op het Amsterdame congres van de Tweede Socialistische Internationale, werd dat verbod bekrachtigd. Toch bleef Bernstein lid van de partij. Want ondanks de canonisering van het marxisme en de veroordeling van het revisionisme bleef de SPD tot in de Eerste Wereldoorlog in de praktijk betrekkelijk tolerant voor andersdenkenden. De eenheid van de socialistische beweging had absolute prioriteit. Als dikke laag vernis lag die eenheidsgedachte over een baaierd van opvattingen, met de radicale Rosa Luxemburg op de uiterst linker- en de gematigde Eduard Bernstein op de rechtervleugel. De laatstgenoemde bleef zichzelf dan ook zonder problemen socialist en zelfs marxist noemen.

GEMATIGD POLITIEK VERNUFT

In zijn onlangs verschenen Eduard Bernstein 1850-1932. Eine politische Biographie schildert de in de jaren dertig naar Engeland gevluchte Francis Ludwig Carsten een innemend, naar mijn smaak soms wat te beknopt, portret van de revisionistische sociaal-democraat. Het boek is een typisch produkt van een emigrant. Niet alleen omdat hier de ene balling schrijft over een andere balling, maar vooral ook omdat Carsten in Bernstein een representant ten tonele voert van een gematigd politiek vernuft, van een redelijkheid die, zo leest men tussen de regels, zou hebben kunnen overwinnen wanneer de Duitsers tussen 1914 en 1945 het oor niet zo massaal naar extreem linkse of rechtse standpunten had laten hangen.

Carstens keuze voor Bernstein is geen toevallige. Als men beider levensloop vergelijkt, vallen onmiddellijk de mogelijkheden voor verregaande empathie op. Francis Carsten, in 1911 te Berlijn geboren als Franz Carsten, was vanaf 1929 actief in een anti-fascistische studentengroep. Na de machtsovername door Hitler in januari 1933 sloot hij zich aan bij Neu Beginnen, een socialistische splintergroep die behalve strijd leveren tegen het nazisme, ook "het ware socialisme' wilde revitaliseren. De leden van Neu Beginnen waren teleurgesteld over de zwakheid van de SPD tegenover de bruine horden en afkerig van de rigiditeit van de communistische KPD.

In 1936 vluchtte Carsten naar Nederland. Daar deed hij onder meer onderzoek in de archieven van het Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam. In 1939 vluchtte hij opnieuw: op een toeristenvisum vertrok hij naar Engeland. Tijdens de "Battle of Britain' diende Carsten in het Engelse leger en daarna was hij, zoals zoveel Duitse vluchtelingen, actief voor de inlichtingendienst van het Foreign Office. Vrijwel direct na de oorlog begon zijn academische loopbaan, die hij in 1978 afsloot als Masaryk-professor voor Middeneuropese Geschiedenis.

Carstens sympathie geldt, zoals gezegd, vooral de rationele politieke visie van Bernstein. Toch waren diens opvattingen niet altijd gekenmerkt geweest door die redelijkhed. Aanvankelijk behoorde Bernstein zelfs tot de linkervleugel van de sociaal-democraten. Zijn achtergrond is daar niet vreemd aan. Hij werd in januari 1850 te Berlijn geboren in een gezin van geassimileerde joden. Zijn vader, een treinmachinist, hechtte groot belang aan een goede scholing voor zijn kinderen. Iedere cent werd ervoor opzij gelegd. Toch moest de jonge Eduard het gymnasium voortijdig verlaten omdat schoolgaan te duur bleek. Op zestienjarige leeftijd werd hij leerling bij een bank, waar hij tot 1878, het begin van zijn ballingschap, zou werken. Gedreven door een onverzadigbare honger naar kennis schoolde Bernstein zichzelf. Hij was een echte autodidact, beklemtoont Carsten.

Bernsteins politieke belangstelling werd gewekt door de constitutionele strijd in Pruisen en de eenwording van Duitsland. Hij sloot zich aan bij de links-liberale Fortschrittspartei. In 1872 was hij gewonnen voor het socialisme, nadat hij een redevoering had aangehoord van August Bebel - met Wilhelm Liebknecht in deze decennia de onbetwiste politieke leider van de Duitse sociaal-democraten. Onmiddellijk ging hij aan de slag voor de partij. Agitatie was in deze jaren zijn stiel.

RUGGEGRAAT

Vanwege die revolutionaire agitatie werd Bernstein vanaf 1878 in Duitsland gezocht als staatsgevaarlijk persoon. Hij vertrok vertrok naar Zwitserland. Daar werd hij redacteur van de Sozialdemokrat, in deze periode van socialistenvervolging - Bismarcks anti-socialistenwetten bleven tot 1890 van kracht - de ruggegraat van de illegale partij. De krant werd met veel succes Duitsland binnengesmokkeld. Dit gebeurde overigens niet altijd tot tevredenheid van de partijleiding aldaar, want zij en de gewone partijleden, niet de redactie in Zwitserland, kregen de straffen wanneer de politie het opruiende blaadje aantrof.

En revolutionair was de toon van de Sozialdemokrat zeker. De illegaliteit en de afstand tot de praktische politiek maakten radicaal. Ook Bernstein was in exil radicaler geworden: de boodschap die hij uitdroeg, was orthodox marxistisch. Daarvan getuigde ook het "Erfurter Programm' uit 1891, dat hij samen met Kautsky vervaardigde. Het was het meest marxistische programma dat de SPD heeft gekend.

In 1888 verhuisde Bernstein van Zürich naar Londen. De Duitse regering had de Zwitsers bij de afsluiting van een handelsverdrag onder druk gezet om de Sozialdemokrat te verbieden en de redactie uit te wijzen, waarna de krant in Engeland geproduceerd moest worden. In Londen werd Bernstein een intieme vriend van Friedrich Engels die het erfgoed van de in 1883 gestorven Marx beheerde.

Toch begon Bernsteins orthodoxie in deze Londense jaren barsten te vertonen. De mogelijkheden van het voor continentale Europeanen toentertijd zo wonderlijk flexibele Britse parlementaire systeem, het contact met de fatsoenlijke sociale hervormers van de Fabian Society en Bernsteins eigen onderzoek naar radicale bewegingen tijdens de Engelse revolutie van de zeventiende eeuw, dit alles wekte twijfel aan de marxistische waarheden. Hij ontdekte niet alleen dat veel van wat Marx en Engels als eigen en originele inzichten hadden gepresenteerd, al veel en veel eerder was bedacht, maar hij concludeerde ook ""hoe schrikbarend weinig de kreten van de partij bijdroegen aan een goed begrip van de geschiedenis''.

Na de dood van Engels in 1895 ging Bernstein, verlost van zijn ideologische waakhond, zijn eigen weg. De Voraussetzungen des Socialismus, met daarin het pleidooi voor een evolutionair en democratisch socialisme, was het eerste resultaat. Eenmaal terug uit ballingschap toonde hij zich hoopvol, gezien de verhoudingen in het Keizerrijk wellicht té hoopvol, over de mogelijkheden het parlementaire stelsel in Duitsland, inclusief het drieklassenkiesrecht in Pruisen, te hervormen. Onvermoeibaar zette hij zich, als afgevaardigde in de Reichstag en als leider van protestbijeenkomsten, in voor deze zaken.

Van groot inzicht getuigde in deze periode zijn standpunt inzake de Duits-Engelse verhoudingen. De bewapeningswedloop ter zee en de felle industriële concurrentie hadden de relatie tussen Engeland en Duitsland drastisch verstoord. Onder veel Duitsers heerste de opvatting dat oorlog onvermijdelijk was. Bernstein verzette zich tegen deze noodlotsgedachte. Zijn socialistische partijgenoten hield hij voor dat hun idee dat het kapitalisme automatisch tot oorlogen zou leiden ongegrond en zelfondermijnend was. De moderne economie had de banden tussen de verschillende landen juist versterkt. De houding van politiek rechts, in het bijzonder van de middenklasse, de groep waaruit bijvoorbeeld de fel anti-Britse Deutsche Flottenverein haar leden recruteerde, achtte hij al helemaal onbegrijpelijk. Bernstein rekende de kleine kapitaalbezitters voor dat oorlog met Engeland vernietigende gevolgen voor de Duitse economie zou hebben. Engeland was op industrieel gebied dan wel een concurrent, het was tevens de grootste afnemer van Duitse produkten. De nationalistische hetze, stelde Bernstein terecht, was dom en onverantwoord.

SCHULDGEVOELENS

De oorlog kwam er - en niet alleen tegen Engeland. En net als de overgrote meerderheid van de sociaal-democratische fractie in de Reichstag, stemde Bernstein in september 1914 vóór de verstrekking van de oorlogskredieten. De rest van zijn leven zou hij daar schuldgevoelens over hebben: telkens weer kwam hij terug op die fatale misstap. Geschokt door de gruwelijke berichten van het front, eiste hij al snel onmiddellijke stopzetting van alle krijgshandelingen.

Begin 1917 stapte Bernstein uit de SPD. Hij sloot zich aan bij de USPD, de Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands, die openlijk ijverde voor beëindiging van de oorlog. Een deel van de USPD wilde, genspireerd door de Februari- en vooral de Oktoberrevolutie in Rusland, de oorlogschaos benutten voor revolutie. Enkelen sloten zich in 1919 inderdaad aan bij de communistische Spartakus-opstand.

Revolutie was echter wel het laatste wat Bernstein wenste. De verhalen die in de loop van 1918 en 1919 uit Rusland kwamen, bevestigden zijn afkeer van de bolsjewisten. Hij wilde een parlementaire democratie en, toen de oorlog in 1918 voorbij was, zo snel mogelijk een hereniging van de socialisten, van SPD en USPD. Dat laatste mislukte. Twee jaar na de oorlog was de splitsing tussen communisten en sociaal-democraten een feit. Hun vijandschap betekende een zware belasting voor de Weimardemocratie - want die parlementaire democratie was er wel gekomen, hoe wankel ook.

Bernstein stelde zich onmiddellijk ten dienste van de republiek. Tijdens de korte regeerperiode van de "Rat der Volksbeauftragten', een interimregering samengesteld uit leden van de SPD en de USPD, was hij een soort onderminister van financiën. Er werden plannen gemaakt voor sociale hervormingen. Socialisering van het economische leven werd echter van de hand gewezen. Dat riekte naar bolsjewisme.

ANTISEMITISCHE TOESPELINGEN

Overtuigd van de Duitse schuld aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog pleitte Bernstein in 1919 op een partijbijeenkomst voor de acceptatie van de Vrede van Versailles, hoe hard de vredesbepalingen ook waren en hoe belastend ze ook voor de prille democratie zouden zijn. Duitsland had praktisch, maar vooral ook moreel, geen andere keus. Het was bepaald een impopulair standpunt, ook binnen de SPD. Zijn partijgenoten haalden fel uit naar het eigenzinnige partijlid. Antisemitische toespelingen werden niet geschuwd. Slechts een handjevol getrouwen nam het voor hem op.

In deze jaren werd Bernsteins invloed snel kleiner. Zijn inspanningen, begin jaren twintig, een revisionistisch partijprogramma door te voeren, werden geblokkeerd door Kautsky en Rudolf Hilferding. Bij de uiteindelijke hereniging van SPD en het restant van de USPD greep men weer terug op het orthodoxe marxistische programma van 1891. Pogingen om Bernstein ambassadeur in Londen te maken, een plan dat bij de Britse socialisten veel steun vond, mislukten. Onafwendbaar kwam hij in een isolement terecht. De partijkrant Vorwärts accepteerde zijn artikelen zelfs niet langer. Teruggetrokken werkte Bernstein verder aan zijn studies en aan een autobiografie. Pas ver na de Tweede Wereldoorlog zou de SPD zich beroepen op zijn gedachtengoed. En ook toen nog gebeurde dat eerder impliciet dan expliciet.

Eduard Bernstein overleed in december 1932, zes weken voor Hitler aan de macht kwam. Nieuwe vervolgingen en een nieuwe ballingschap bleven hem bespaard. Dit keer trof dat lot zijn biograaf.