De talrijke Iraakse inlichtingendiensten bespioneren ook elkaar

“Als de Amerikanen een hele wijk met geheime-dienstleden - en daarvan bestaan er meer in ons land - met de grond gelijk hadden gemaakt, zouden alle Irakezen in binnen- en buitenland luid hebben geapplaudisseerd”, zegt een Iraakse opposant in ballingschap. “Maar wat die Clinton zaterdagnacht met die paar kruisraketten in Al-Mansour heeft gedaan, lijkt meer op zelfbevrediging dan op oorlog tegen Saddams regime. Als hij denkt met de uitschakeling van een paar gebouwen en computers Saddams terrorisme in het buitenland te kunnen verzwakken, bedriegt hij zichzelf, zijn publieke opinie of beide. Dat zal hij wel merken. Want het regime zou geen dag zonder terrorisme kunnen overleven - daarop is het gebouwd.”

Zeer veel Irakezen hebben persoonlijk kennis mogen maken met de veelvoud van geheime diensten in hun land. Saddam beschikt over ten minste negen geheime diensten, mogelijkerwijs zelfs twaalf. De Algemene Inlichtingendienst, Jihaz al-Mukhabarat al-Amma, waarvan het hoofdkwartier in de nacht van zaterdag op zondag werd gebombardeerd, wordt door de buitenwacht gezien als de belangrijkste. De organisatie heeft namelijk niet alleen de beschikking heeft over eigen huizen, hotels en fabrieken, doch ook over een leger van handlangers, waaronder artsen en architecten. Maar de Mukhabarat was alleen zo belangrijk toen zij onder leiding stond van Saddams halfbroer Barzan al-Takriti. Aangezien de president het voor zijn politieke overleven verstandiger vindt om de leiders van de geheime diensten geregeld heen en weer te schuiven, wordt het belang van een geheime dienst vooral bepaald door de mate waarin de leider ervan op dat moment Saddams steun geniet.

Vandaar dat nu waarschijnlijk veel belangrijker de Speciale Geheime Dienst is, Amn al-Qaf, een overkoepelend orgaan van alle geheime diensten, onder leiding van Qusay, een van Saddams zoons. Zijn vader zou hem als zijn opvolger hebben voorbestemd omdat hij een discreet en rustig type is, heel anders dan zijn flamboyante broer Uday, die talloze publieke functies bekleedt en daarnaast een vermaard vrouwenverkrachter is.

Onder de Amn al-Qaf valt de zeer belangrijke Speciale Beschermingsdienst, Jihaz al-Himaya al-Khas, die de president en zijn entourage moet beschermen en uit ongeveer 15.000 man bestaat. Zij zijn leden van stammen die Saddam te vriend wil houden of zij worden gerecruteerd uit de armen in kleine, door sunnieten bewoonde stadjes. Deze jonge mannen zijn geen enkele luxe gewend. Na een keiharde opleiding, waarin hun allerlei moorddadige technieken worden bijgebracht, worden zij beter betaald dan universiteitsprofessoren en krijgen zij daarnaast nog allerlei privileges, zoals luxe-woningen en de vergunning om zich straffeloos uitzonderlijk veel tegenover andere burgers te permitteren. Het zijn ideale omstandigheden voor onvoorwaardelijke trouw aan de Leider die hun zo'n fantastisch leven gunt en zonder wiens bescherming zij weer zouden wegzakken in hun vroegere ellende.

Er bestaat natuurlijk ook een militaire inlichtingendienst, Istikhat al-Askariya, die binnen de strijdkrachten naar de vijand moet zoeken en zeer ruime bevoegdheden heeft, omdat er algemene dienstplicht bestaat en dus vele jongemannen door het virus van de altijd aanwezige vijand kunnen worden aangetast. Deze dienst heeft in Koerdistan op verschrikkelijke wijze huis gehouden.

Maar er bestaan ook geheime diensten van de luchtmacht, voor "de noordelijke gebieden' (waaronder Koerdistan wordt verstaan) en voor "de oostelijke gebieden' (tegen de shi'ieten). Daarnaast heeft natuurlijk de Ba'ath-partij haar eigen inlichtingendienst, het Bureau voor de Nationale Veiligheid, dat tot taak heeft alle "misdaden' op politiek en economisch gebied te bestrijden.

Omkoping en terreur zijn de belangrijkste wapens van het Ba'ath-regime - zowel in binnen- als buitenland. Vlak voor de Golfoorlog eiste bij voorbeeld de Egyptische regering dat de journalisten van de belangrijkste kranten hun door Saddam geschonken Mercedessen inleverden. De lovende artikelen over Saddam, die vóór zijn invasie in Koeweit vrijwel alle Arabische media beheersten (behalve die media die door zijn Syrische concurrent Hafez al-Assad worden gesubsidieerd), waren bepaald niet alleen ideologisch gemotiveerd. Het enthousiasme voor Saddam bleek, met name in Jordanië en Egypte, enorm gestimuleerd te worden door ruime financiële vergoedingen en geschenken in de vorm van auto's en snoepreizen.

Op precies dezelfde wijze koopt Saddam zijn aanhangers in het binnenland. Zo is het shi'itische zuiden weer voor een goed deel onder controle gebracht met behulp van massamoord, maar ook door het omkopen van specifieke stam- en clanleiders met geld, wapens en veel eerbetoon. Daarom kon een paar dagen geleden een hoge Ba'ath-functionaris aan een bezoekende Amerikaanse journaliste in Zuid-Irak melden dat “als er iets is, waarover wij tevreden zijn, dat de veiligheidssituatie is.”

Toch waren - na alles wat er de laatste jaren bekend was geworden over Saddam en zijn methoden - de reacties in het Westen uiterst skeptisch, toen Koeweit in april bekend maakte dat het twee weken voordien een Iraakse moordenaarsbende had opgerold die oud-president Bush uit de wereld moest helpen.

Het emiraat, dat nog steeds door Saddam als Iraks 19de provincie wordt beschouwd, had immers alle redenen de Amerikanen ertoe te verlokken Saddam Hussein een nieuw pak slaag toe te dienen. En de gearresteerden waren naar alle waarschijnlijkheid behoorlijk in elkaar geslagen, voordat zij hun bekentenissen aflegden.

Maar er was nòg een probleem: de bekentenissen waren zó gewoon dat bijna iedereen ze had kunnen verzinnen. Eén van de hoofdverdachten, de 36-jarige Wali Abdelhadi el-Ghazali, vertelde dat hij verpleger was in een ziekenhuis in Basra. Hij had de geheime dienst-mannen die hem voor het karwei in Koeweit recruteerden, gesmeekt om het niet te hoeven doen, aangezien zijn vrouw in het ziekenhuis lag en hij nu de verantwoordelijkheid had voor zijn vijf kinderen. Maar, vertelde hij, “ze zeiden dat geen Irakees zo'n eervolle missie kan afslaan”. Toen wist hij dat er geen ontkomen meer aan was: als hij zou weigeren, zouden hij en zijn familie op vreselijke manier gestraft worden.

Hoe de autoriteiten met familieleden van politieke "misdadigers' omspringen - en dat zijn allen die niet stipt gehoorzamen - laat één van de documenten zien uit het rapport van Mr Max van der Stoel, de speciale VN-rapporteur over de mensenrechten in Irak. Het gaat om de als zeer vertrouwelijk aangemerkte brief 21308, gedateerd 16 september 1989, van de directeur van de Veiligheidsdienst in de Koerdische stad Suleymaniya aan zijn superieuren in Bagdad. Het document viel tijdens de opstand van maart 1991 in handen van de Koerden. De directeur meldt in ambtelijke taal dat “een burger, genaamd Bakiza Omar Said, naar haar familielid informeerde, een misdadiger genaamd Burham Omar Said (..) Zij werd begeleid door vier andere misdadigers (..)”

De directeur herhaalt in zijn schrijven de geheime opdracht van het Bureau voor de Organisatie van het Noorden (Koerdistan), zoals vervat in document 5870 van 17 september 1987, “dat gaat over de uitvoering van doodvonnissen, de gevangenneming van de families van de misdadigers en de vernietiging van hun huizen, behalve die huizen die overheidsbezit zijn of gehuurd”.

Zijn schrijven vervolgt: “Verder deelde de veiligheidsafdeling van de Autonome Regio (Koerdistan) Sectie II ons in een vertrouwelijk schrijven nr. 25789 dd 22 december 1987 mee (...) dat de families van de drie misdadigers in stilte geëlimineerd moesten worden, met inbegrip van de familie van Burham Omar Said. De andere twee families moesten voor zes maanden worden vastgezet. Dat is, ter uwer informatie, geschied.”

Raad al-Assadi, de tweede hoofdverdachte in het moordkomplot tegen Bush, had een café in Basra, maar werd naar zijn zeggen op 9 april door de geheime dienst als gids voor El-Ghazali aangeworven. Hij vond het geen oninteressante opdracht omdat hij eigenlijk vijf kisten Schotse whisky naar Koeweit wilde smokkelen, die hem door de geheime dienst-mannen waren geschonken. De verkoop van de in Koeweit verboden whisky zou hem een vermogen hebben opgeleverd.

Beide verhalen zijn geheel in overeenstemming met de dagelijkse werkelijkheid van Irak, waar Saddam in enkele tientallen jaren tijd een systeem heeft opgebouwd, dat alle onderdanen in feite verantwoordelijk stelt voor het gedrag van henzelf én van hun familieleden.

Het zaaien van terreur en het verstrekken van grote beloningen is in het Irak van Saddam tot bizarre proporties gegroeid. Zo verdacht Saddam enkele jaren geleden een hoge legerofficier van de-loyaliteit. De man was onschuldig, maar werd toch maar voor alle zekerheid neergeschoten, de verzegelde lijkkist bij zijn weduwe bezorgd. Enige tijd later kwam Saddam tot de conclusie dat het slachtoffer werkelijk niets tegen hem had ondernomen. Hij belde de weduwe op en bood haar, naast zijn spijt en excuses, een grote geldsom aan, die zij uiteraard dankbaar moest aanvaarden om niet zelf van de-loyaliteit te worden beschuldigd.

De grote leider besloot in 1973 na een mislukte staatsgreep van de toenmalige chef van de geheime diensten, Nathem Ghezar, de macht zodanig te verdelen dat het voorbeeld van Ghezar nooit meer herhaald zou kunnen worden. Een netwerk van geheime diensten werd opgezet. De doelen van die opzet waren meervoudig. Allereerst spionage in het buitenland, afdoende controle van de bevolking in het binnenland, en terreur in binnen- en buitenland. Daarnaast moesten de diensten elkaar zodanig overlappen, dat zij elkaars concurrenten werden en ook elkaar gingen bespioneren.

Daardoor is het voor buitenstaanders zo moeilijk na te gaan wie wat voorstelt. Het voordeel van parallel handelen van diverse geheime diensten is bovendien dat zelfs de naaste vertrouwelingen van de Leider in het ongewisse worden gelaten hoe Hij precies over hen denkt en wat Hij van hen weet. Zo kan hij ze wat gemakkelijker tegen elkaar uitspelen.

Dit door Saddam tot een godsdienst verheven en genstitutionaliseerde wantrouwen uit zich ook in het vragenformulier dat agenten van de diensten die anderen aanwerven moeten invullen. De econoom Issam al-Khafaj, die in ballingschap in Syrië woont, heeft onderzocht wat die vragen inhouden. Eén luidt hoe de financiële situatie is van de aan te werven informant, een tweede vraag wat zijn redenen zijn om als informant te werken. Een andere vraag is: “Hebben wij bewijzen op schrift om hem in de val te lokken, als hij niet langer met ons wil samenwerken?” En iedereen moet zelf uitgebreid verslag doen over zijn familieleden: of zij de veiligheid van de staat - dat wil zeggen van de Ba'ath-partij - in gevaar hebben gebracht, en welke familieleden met buitenlanders omgaan of in buitenlandse ondernemingen werken.

Het aanwerven van agenten, informanten en terroristen is heel eenvoudig. In Koerdistan werden jonge vrouwen als agenten ontmaskerd. Issam al-Khafaj ondervroeg hen. Een van hen bleek door mannen van het Algemene Veiligheidsdirectoraat, Mudiriyat al-Amn al-Amma, onder voorwendsels gearresteerd te zijn, waarna zij door vier man werd verkracht. Er werd een videotape van de verkrachting gemaakt, waarna men dreigde de tape aan haar echtgenoot te laten zien als zij niet “meewerkte”. Op dezelfde wijze werden haar vriendinnen aangeworven. De laatste tijd is het, onder de barre economische onmstandigheden waarin men leeft, steeds gemakkelijker geworden om agenten en terroristen tegen een kleine beloning aan te trekken.

De geheime diensten, waarbij zo ontzettend veel mensen gedwongen of vrijwillig betrokken zijn, kunnen nooit door één militaire actie worden geraakt. Vandaar de verbittering bij de Iraakse oppositie. Eén van hen zegt: “De vergelijking die ze nu in Washington maken dat ze het hoofdkwartier van de Iraakse CIA flink hebben geraakt, slaat nergens op. Als ze de Iraakse CIA ècht “een ernstige klap willen toebrengen”, moeten ze honderden gebouwen bombarderen. Elke keer opnieuw, zodat de mensen het gevaarlijker vinden vóór Saddam dan tégen hem te werken.”