De bicblauwe doeken van Jan Fabre

Tentoonstelling: Jan Fabre in Galerie Ronny van de Velde, IJzerpoortkaai 3, Antwerpen. Tot 15 aug. Di t/m zo 11-18u. Inl. 09-32.32.163.047.

Het is een greep uit een ongebruikelijke werkelijkheid: een bed waarvan, aan één kant, de poten te hoog zijn. Er ligt een matras op, afgedekt met een laken waarvan het wit door het bekende bic-blauw van de kunstenaar heenschimmert. De witte buizen herinneren aan een inrichting, het uit het lood hangende vlak is de waanzin zelf. Juist voor zijn voornaamste functie is dit bed ongeschikt. Het voorwerp is in alle opzichten identificeerbaar, iedereen ziet onmiddellijk dat het een bed is, maar toch is het van zijn wezen beroofd en onherkenbaar verminkt. Dat besef verwart en ontroert.

Zo mogelijk nog ontroerender is het verhaal dat bij het geval hoort en dat me toevallig ter ore komt. Het bed is van Jan Fabre zelf en stamt uit de tijd dat hij nog niet beroemd was. Toen had hij een klein kamertje en wat hij zelf noemt "zenuwen'. Dit bed was de oplossing. Overdag deed het dienst als tekentafel, voor de nacht draaide hij het om, met de lage kant tegen de muur. Zo rolde hij eindelijk niet meer op de grond in zijn slaap. En zo was dit bed juist bij uitstek geschikt om te slapen, zij het uitsluitend voor deze ene zenuwpees. Medium medium heet het, toepasselijk.

Zulke verhalen zou je willen horen bij ieder voorwerp op de grote tentoonstelling die de Antwerpse galerie Ronny van de Velde aan Jan Fabre (1958) wijdt. Anderzijds intrigeert juist het onbekende en bovendien verklaren feiten op zichzelf vaak niets. In het informatieve boekje Gesprekken met Jan Fabre, van de hand van Hugo de Greef en Jan Hoet, vertelt de kunstenaar hoe hij al vroeg met dieren experimenteerde, in het bijzonder met insekten en dat hij in de tuin van het ouderlijk huis een "grondgebied voor nachtelijke projecten' afbakende. Die bekentenis verschaft de vroege tekeningen uit de serie Projekt voor nachtelijk grondgebied, die bij Van de Velde in een part kabinet zijn ondergebracht, wel een achtergrond maar echt wijzer wordt de tentoonstellingsbezoeker er niet van. Hij blijft aangewezen op zijn eigen onbevangenheid en zijn bereidheid zich een vreemde wereld te laten binnenvoeren.

Van uilen en van insekten, bijvoorbeeld. In de ene zaal tronen hoog tegen de wand zeven uilen van blauw glas (Hé wat een plezierige zottigheid luidt de luchtige titel), in de volgende blijkt een statige met smaragden bestikte avondjurk bij nadere beschouwing een staketsel van kippegaas, bedekt met mestkevers. In weer een andere zaal blijken de twee kevers in het centrum van een groot blauw-bebict doek juist geen kevers te zijn maar dorre blaadjes. Wandelend blad heet het werk.

Een even groot beroep op de fantasie van de beschouwer doet de zaal waarin aan iedere wand een luifel hangt. De huid bestaat uit met bic bekraste lapjes. De wetenschap dat ze afkomstig zijn van het Mechelse kasteeltje Tivoli, dat Fabre in het verleden met bebicte kleden behing, is van geen enkel nut bij het ondergaan van de schoonheid ervan. Integendeel misschien zelfs: de verwondering is deel van de bewondering. Dat geldt voor ieder afzonderlijk werk dat Fabre hier laat zien maar ook voor de tentoonstelling als geheel. De inrichting ervan is volmaakt, zo simpel, evenwichtig en helder. Esthetisch van museaal niveau, maar ook bijna letterlijk omdat alleen een portfolio van bicblauwe tekeningen op een zilverkleurige ondergrond en enkele tekeningen te koop worden aangeboden.