DE BETEKENIS VAN BALLEN EN ELLEBOGEN

Gebaren en lichaamshouding van de oudheid tot heden door Jan Bremmer & Herman Roodenburg (red.) 296 blz., gell., SUN 1993, f 39,50 ISBN 90 6161 380 7

Het zotte gebruik om een begroeting met drie kussen gepaard te laten gaan - een gebruik waaraan een mens zich slechts in aller-intiemste kring nog kan onttrekken zonder pijnlijke en tijdrovende verwikkelingen te riskeren - is een van de meest opvallende revoluties in de sociale gebarentaal van de laatste jaren. Zoiets begint ergens, in een spraakmakend groepje, een tikje buitenlands, chic, en blijkt dan in de loop van tien jaar door te kunnen spijpelen naar alle lagen van de bevolking. Heeft iemand al eens precies uitgezocht hoe zo'n proces verloopt?

Andere gebaren en conventies zijn in onze tijd juist bijna verdwenen: bijvoorbeeld het beleefd even oplichten van de hoed of aantikken van de pet. Daarvan ligt de oorzaak voor de hand. Weer andere veranderingen - mannen omhelzen elkaar gemakkelijker, er worden meer en meer handen geschud - hebben te maken met wat sociologen de informalisering van het sociaal verkeer noemen.

Het menselijk lichaam is een historisch document, zoals inleider Keith Thomas in de recent verschenen bundel Gebaren en lichaamshouding van de oudheid tot heden (uitvloeisel van een conferentie die in 1989 in Utrecht is gehouden) dan ook zegt. Niet alleen eelt en rimpels, maar ieder gebaar, iedere oogopslag kan de oplettende waarnemer iets vertellen over iemands voorgeschiedenis of sociale positie. Het bestuderen van hoe mensen zich bewegen is dus alles behalve een triviale bezigheid.

Dat gebaren conventies zijn, niet natuur maar cultuur, wordt de lezer verzekerd door meer dan één auteur in het hier besproken boek. Er lijkt iets dringends bij te zitten, alsof het heel verkeerd zou zijn om te denken dat gebaren aangeboren zijn, wat immers bij criminaliteit of intelligentie ook zo'n verwerpelijk idee is. Hoe dan ook, de Noordeuropeaan hoeft maar naar Italië te reizen om te ontdekken dat zijn eigen gebaar voor ”Ga weg!' het Italiaanse teken is voor ”Kom hier!', zoals Thomas in zijn inleiding reeds vaststelt.

Wel is het zo dat een mens zich van zijn gebaren slechts bij uitzondering bewust is. Dat kan een reden zijn waarom tot nu toe weinig historici zich met het onderwerp hebben beziggehouden. Een andere reden is natuurlijk dat bewegingen, in elk geval tot de uitvinding van de filmtechniek, niet konden worden vastgelegd, en zich in woorden vaak slechts moeizaam laten beschrijven. De lezer van deze bundel betrapt zichzelf er regelmatig op dat hij bepaalde in de tekst beschreven gebaren zelf na zit te doen, omdat hij zich er anders geen voorstelling van kan maken.

SPREIDLOOP

Hoe beschrijf je hoe iemand loopt? Op eieren, trippelend, statig, wijdbeens - wijdbeens? Weet Jan Bremmer, die dit boek opent met een interessant stuk over ”Lopen, staan en zitten in de Griekse cultuur' helemaal zeker of de door hem aangehaalde dichter Archilochus nu bedoelde dat die pocherige generaal lange stappen maakte, of had die een soort spreidloop? Het verduidelijken van dat soort nuances is heel belangrijk, maar wordt door auteurs al gauw te moeilijk gevonden.

Ook al hebben historici zich om allerlei redenen weinig met gebaren beziggehouden, dat betekent niet dat deze in het verleden niet werden bestudeerd en besproken. Integendeel. Jean-Claude Schmitt (”De rol van gebaren in het Westen van de derde tot de dertiende eeuw') legt uit dat in de middeleeuwen rituele gebaren, net als formules en met symboliek beladen voorwerpen, zeer belangrijk werden gevonden. Zegenen, bidden, kopen, genezen, tot ridder slaan, alles was gebaar. Met gebaren werden de geest en het lichaam van mensen onderling verbonden, schrijft Schmitt: zij werden gezien als uiterlijke verschijningsvormen van innerlijke roerselen en waren als zodanig onmisbaar. Kloosters hadden lijsten van vrome gebaren en trachtten novicen zo snel mogelijk de wereldse gebaren af te leren.

Gebaren hebben, net als de etiquette waaraan zij deels zijn onderworpen, veel met status en eergevoel te maken, zo blijkt uit de meeste hier verzamelde opstellen. Joaneath Spicer, kunsthistorica te Baltimore, schreef een bijdrage getiteld ”De renaissance-elleboog'. Zij opent de lezer de ogen voor het zelfbewuste armgebaar waarmee op schilderijen vanaf circa 1500 de geportretteerde zijn territorium afbakent, een vondst die zij aan Albrecht Dürer toeschrijft. Ook gaat zij in op de trotse hand-in-de-zij die op schilderijen van Hollandse meesters veel te zien is. De cultuurhistoricus Peter Burke heeft het over het gesticuleren tijdens het spreken. Hij suggereert dat tussen ruwweg 1500 en 1800 een min of meer bewuste hervorming van dit gebaren heeft plaatsgevonden, een stilering waarmee men zich zou hebben willen afzetten tegen het cliché van de druk gebarende Italiaan.

MACHO-GEDRAG

Over nationale stereotypen gesproken: een van de leukste stukken in het boek is niet van een historicus maar van een antropoloog. Het is Henk Driessen, die zich verdiepte in het gedrag van mannen in cafés op het Andalusische platteland, in Spanje dus. Voor de lezer ontvouwt zich een wereldje van een welbeschouwd stuitende primitiviteit, waarin alles draait om het bezit van ballen, in alle betekenissen van het woord. Driessen: ””Zij zitten er veelvuldig aan, tillen ze even met een hand op wanneer zij een café binnenkomen, een plaats aan de toog kiezen, of als zij tijdens een discussie iemand van een argument proberen te overtuigen.'' Het gaat over macht, zo legt de schrijver uit; maar en passant vertelt hij veel over macho-gedrag in het algemeen en obscene gebaren in het bijzonder. Zulke dingen lees je niet vaak in geleerde boeken.

Dit is, kortom, een inspirerende bundel. Als de Zwitserse filoloog Fritz Graf het heeft over de oude Romeinen en schrijft dat zichtbare haast in het algemeen werd beschouwd als slavengedrag, omdat een vrij man immers alle tijd had, is dat een grappige omkering van de moderne conventies. Die zeggen immers dat de werkman altijd rustig aan doet (de fondspatiënt komt op het spreekuur, die kan wel wachten) terwijl voor de gepresseerde heren tijd geld is. Druk, druk, druk te zijn is het hedendaagse statussymbool.

Willem Frijhoffs bijdrage ten slotte, een geschiedenis van de kus, sacraal en profaan, lijdt enigszins onder de persoonlijke noot die de auteur er in heeft willen brengen. Niettemin maakt hij wel duidelijk hoe veel verschillende betekenissen dit kleine ritueeltje kan dragen. Iedere zoen is weer anders, iets wat met vrucht kan worden beschouwd als een uitdaging voor historici, antropologen, schrijvers - en zoeners.