"Alle Serviërs zullen ons klooster verdedigen'

Kloosters liggen meestal op stille, onherbergzame plaatsen, waar weinigen de monniken en nonnen in hun meditatie en gebed kunnen storen. Of niet? Correspondenten van NRC Handelsblad bezochten een aantal kloosters in de wereld. Vandaag deel één van een zomerserie: het klooster van Decani in Kosovo.

DECANI, 3 JULI. “Er waren misschien wat weinig mensen bij de mis, maar als we aangevallen worden zullen alle Serviërs opstaan om ons klooster te verdedigen”, meent een bewoner van het Servisch-orthodoxe klooster Veliki Decani, in de Servische provincie Kosovo. Op deze zondagavond hebben slechts drie gelovigen de weg gevonden naar de veertiende-eeuwse kerk, onder de hoede van de dertien monniken van het klooster - goede zangers, dat moet gezegd.

Vanmorgen, toen de patriarch van de Servisch-orthodoxe kerk, Pavle, hier hoogstpersoonlijk de mis celebreerde, waren het er niet veel meer. Stil is het in het klooster, gelegen aan de voet van hoge bergen die de grens tussen Servië en Albanië vormen. In het dorpje Decani wonen voornamelijk Albanezen, die over het algemeen moslims zijn. In een dichtbijgelegen berghotel zijn al twee jaar honderden Servische vluchtelingen uit Albanië gehuisvest, maar die schijnen weinig religiositeit aan de dag te leggen, en de monniken lijken zich hun lot niet bijzonder aan te trekken.

In Kosovo leeft algemeen de angst voor een etnische oorlog tussen Albanezen en Serviërs, en iguman (abt) Teodosije heeft op de vraag wat hij van de gevaren vindt een duidelijk antwoord: “Wij kunnen met dertien monniken ons klooster niet verdedigen natuurlijk”, zegt hij. “Wij vertrouwen op God. Hij heeft het klooster bewaard, tegen de Turken die er een moskee van wilden maken, de Bulgaren die de relikwieën wilden overbrengen, de Oostenrijkse troepen in de Eerste en de Albanese troepen in de Tweede Wereldoorlog die de schatten wilden roven. God zal ons ook nu bewaren”.

Van de Albanezen in de omgeving menen de gespreksgenoten, onder wie ook een theologiestudent uit Krusevac en een aspirant-monnik, valt geen gevaar te duchten. “De mensen die hier wonen respecteren deze heilige plaats, of zij nu christen of moslim zijn”. Wel gaat bij het vallen van de nacht de Middeleeuwse poort stevig dicht, voor alle zekerheid. Laatst, vertelt een Servische boer uit de omgeving verontwaardigd, “heeft een Albanese herder uit de omgeving aan de voor- en de achterpoort gescheten, om zijn verachting te tonen”. Maar voorshands lijkt de wereld nog in orde: na de mis drinken de iguman en de gasten op de veranda van het gebouw waar de monniken wonen een glasje raki, met uitzicht op de kerk.

In die kerk bevindt zich het voornaamste relikwie van het klooster: het gebeente van een van de vele Servische Middeleeuwse koningen, Stefan Decanski, ofwel Uros III (1127-1235). Nou ja gebeente, één van de wonderen is dat van de heilige Stefan nog meer bewaard is. Toen vanochtend, ter gelegenheid van het bezoek van patriarch Pavle de kist weer eens geopend werd, was de vrijwel geheel bewaarde rechterhand duidelijk zichtbaar, en de patriarch en de andere priesters hebben hem gekust. “Hij geurt naar mirre, het is wonderbaar, een moeilijk aan een buitenlander te beschrijven gevoel”, zegt de theologiestudent lyrisch. Ook iguman Theodosije meent dat het voor een ongelovige moeilijk te begrijpen is, welke spirituele ervaring op deze heilige plaats werkzaam is. Waarom hij voor dit klooster gekozen heeft, kan hij ons dus niet verklaren.

In deze gewijde atmosfeer, waar de hoge bergen hun koele schaduw werpen, lijkt de Joegoslavische burgeroorlog ver weg. Maar de aspirant-monnik volgt het verloop van de strijd met argusogen. Hij heeft voor een klooster in Zuidoost-Herzegovina gekozen, waar ook dezer dagen, bij de stad Trebinja, tussen Serviërs en Kroaten volop wordt geschoten. Hij wacht en wacht op de vrede, maar denkt niet in dit klooster te kunnen blijven, mocht het klooster van zijn keuze voor de Serviërs verloren gaan. “De heilige hier is te sterk voor mij, ik kan dat niet aan”, zegt hij.

Als we met de iguman naar de poort lopen, onthult deze nog dat de schatten van het klooster naar Belgrado zijn overgebracht - kennelijk als voorzorgsmaatregel bij de donkere wolken die zich samenpakken boven Kosovo, door Servische nationalisten beschouwd als de "wieg' van de natie maar in de huidige tijd voornamelijk bewoond door Albanezen, die met de Servische overheid in gespannen verhouding staan. De iguman laat merken deze beslissing van de kerkleiding in Belgrado matig te appreciëren, kennelijk is op centraal niveau in de Servische kerk het godsvertrouwen wat minder. Het is ook geen gezicht, die ontbrekende ikonen in de ikonostase (de scheidingswand tussen altaar en gelovigen). Dan gaat de poort onherroepelijk dicht, en daalt de stilte neer over het klooster van Decani.

Maar rondom het klooster van Gracanica, tachtig kilometer verderop, is het vanavond allerminst rustig. Duizenden, meerendeels jeugdige Serviërs uit het nabijgelegen Pristina, de hoofdstad van de provincie Kosovo, houden pantoffelparade in de straat voor de poort. Uit de cafés klinkt de elektrisch versterkte, zogenoemde "nieuw gecomponeerde' Servische volksmuziek dermate luid, dat zelfs in de kerk van het klooster je horen en zien vergaat. De nonnen van het klooster blijven zorgvuldig binnen.

Het is de avond voor Vidovdan, ofwel St. Vitusdag, de dag waarop in 1389 op het Lijsterveld de Servische koning Lazar zijn grote slag tegen de Turken vocht en verloor. Desondanks geldt dit feit als de "geboorte' van de grootheid van de Servische natie. Bij de 650-ste verjaardag van het feest in 1989 hield de Servische president Milosevic hier zijn door twee à drie miljoen mensen bejubelde rede, waarin hij de wedergeboorte van de Servische natie aankondigde - aldus het sein gevend voor een reeks gebeurtenissen die begon met de opheffing van de staatkundige autonomie van Kosovo en de instelling van een krachtig politieregime over de Albanese bevolking, om vervolgens over te gaan in het uiteenvallen van Joegoslavië en de gewapende Servische strijd voor de vestiging van eigen staatkundige eenheden in Kroatië en Bosnië-Herzegovina.

Het einde van dit historische drama lijkt nog niet in zicht, maar gezeten op het terras van "Bar 1389', voor de ingang van het klooster, is de feestvreugde er niet minder om. Zo moet dat in de Middeleeuwen ook geweest zijn, het plaatselijke klooster als centrum van volksfeesten. “Servië is klein - wie dat zegt die liegt het”, klinkt het moderne volkslied uit de luidspreker, terwijl door de straat dichte drommen jongeren voorbijtrekken, de meisjes meestal in minirok. Albanese meisjes dragen geen minirok, verzekert onze buurman aan tafel. Vierde hij vroeger, voordat het communisme verviel en het geloof vrij werd, ook al Vidovdan, stiekem in de huiselijke kring bijvoorbeeld? “Nee”, zegt hij na enig nadenken, “vroeger waren we zo onderdrukt, niemand had ooit van Vidovdan gehoord.”

Dat het wereldse aspect van de viering het volop wint van het religieuze, blijkt de volgende morgen, als patriarch Pavle in Gracanica op een podium voor de kloosterkerk de mis celebreert. Van de dichte drommen nu geen spoor meer, slechts enkele tientallen volgen de mis. Wel zijn er onder de aanwezigen prominenten: prins Tomislav, een lid van de Servische dynastie der Karadjordjevici, en Goran Hadzic, de "president' van de Serviërs in Kroatië. Maar de opvallendste gast is zonder twijfel Zeljko Raznjatovic, ofwel "Arkan', de machtigste onderwereldkoning van Servië, die zich vorig jaar tot parlementslid van dit district heeft laten verkiezen.

Met een colonne van Mitsubishi-jeeps is hij uit de Servische hoofdstad aangereisd om het hoge feest bij te wonen, hijzelf voorop en aan het stuur in een witte jeep, en daarachter zijn gevolg in zes zwarte jeeps. Dat gevolg neemt niet aan de kerkdienst deel, maar houdt zich voor de ingang van het klooster op. Hun onberispelijke, maar ruimvallende zwarte pakken, hun zonnebrillen en hun hele optreden wekken de indruk alsof de regisseur van een Al Capone-film er het wat al dik heeft opgelegd.

Arkan zelf staat, glimlach op de lippen, in het klooster vooraan tussen de gelovigen, die door enkele leden van zijn gespierd gevolg in het oog worden gehouden. Als aanvoerder van de "Tijgers', zijn privé-legertje in Bosnië dat zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt bij het verdrijven van moslims, moet Arkan aanhoren hoe patriarch Pavle, een wankele, oude man, in zijn preek scherpe kritiek uit op het verschijnsel "etnische zuivering'.

“Wij Serviërs moeten onze vrijheid verdedigen”, zegt Pavle in een verwijzing naar 1389, “maar het is niet toegestaan de vijand te haten. Het is niet waar dat voor de een de nacht moet vallen, wil voor een ander de zon opgaan. De aarde is groot genoeg om met elkaar samen te leven, zonder etnische zuivering. Maar als wij voor elkaar onmenselijk zijn, dan is de aarde te klein zelfs voor twee mensen, zoals het verhaal van Kan en Abel ons laat zien”. Arkan blijft glimlachen, ook als hij na de mis zijn opwachting maakt achter het podium en de patriarch hem duidelijk negeert. De waarschuwing van de patriarch lijkt verloren te gaan in het, met het middaguur, weer langzaam aanzwellende feestgedruis, en het geraas van drie Servische straaljagers die ter gelegenheid van Vidovdan feestelijk laag overscheren.