W.G. Sebald over joden, Duitsers en migranten; Het fascisme heeft me gemaakt

“In zijn omgang met joden treft zelfs de meest welwillende Duitser steevast de verkeerde toon,” zegt de Duitse schrijver W.G. Sebald. In zijn verhalenbundel "De emigrés' zijn de meeste hoofdpersonen Duits-joodse migranten, die heimwee hebben naar het land waaruit ze verdreven zijn. Ook Sebald, die van zijn ouders de naam Winfried kreeg, "een echte nazi-naam' vindt hij zelf, woont buiten Duitsland, zij het vrijwillig.

W.G. Sebald: De emigrés. Vier gellustreerde verhalen. Vert. Ria van Hengel. Uitg. Van Gennep, 228 blz. Prijs: ƒ 38,50. Duitse bibliofiele uitgave: Die Ausgewanderten. Uitg. Eichborn (Die Andere Bibliothek), 358 blz. Prijs: ƒ 61,60.

"Herinneringen beleef ik zo intens dat ik heden en verleden niet meer uit elkaar kan houden. Het is abnormaal om zo'n aanleg te hebben, het weerhoudt je ervan aan het leven deel te nemen." W.G. Sebald, op bezoek bij zijn Nederlandse uitgever, staart afwezig uit het raam. Over de dodelijke kwaliteit van herinneringen gaan de verhalen in De emigrés, zijn nieuwste bundel. Met grote precisie en fijngevoeligheid reconstrueert hij hierin de levens van een aantal joodse migranten uit de Duitse provincie. In hun nieuwe vaderland, in Frankrijk, Engeland of Amerika, gaan zij voor geslaagde burgers door, maar op hun oude dag vallen zij ten prooi aan een fatale vorm van melancholie. Zij hebben heimwee naar het Duitsland van hun kinderjaren, maar hun herinneringen zijn door de nazi's vergiftigd.

Sebald beschouwt ook zichzelf een beetje als een emigré. Hij was twintig toen hij uit Duitsland wegging. "De directe aanleiding voor mijn vertrek was dat ik in Duitsland niet goed kon studeren omdat de universiteiten er uit hun voegen barstten. Achteraf besefte ik dat ik me er ook erg onbehaaglijk had gevoeld omdat alle docenten en hoogleraren met de bruinhemden hadden geheuld.' Sinds 1970 woont de nu bijna 50-jarige schrijver bij de Zuidengelse stad Norwich, waar hij een leerstoel in de germanistiek bekleedt. Nog steeds bezit Sebald de Duitse nationaliteit, want "wanneer je met een dermate beladen geschiedenis geboren bent als mijn generatie, mag je je afkomst niet verloochenen'. Het hoort bij zijn métier, vindt hij, om die dingen te beschrijven waar de generatie van zijn ouders over zweeg.

Sebalds vader komt uit het Beierse Woud; in de Republiek van Weimar was hij slotenmaker en werkloze. Daarom nam hij dienst in het Hunderdtausendmannheer, zoals het leger destijds heette. In juni 1939 leerde hij zijn moeder kennen in een Beiers Alpendorp waar hij toen gelegerd was. “De manschappen stonden op het punt om Polen binnen te vallen; je kunt gerust stellen dat ik een produkt van het fascisme ben. De Polenfeldzug, waar mijn vader als onderofficier aan deelnam, heeft hooguit twee weken geduurd, maar in die korte tijd is er waanzinnig veel vernietigd. Alle getto's in Zuid-Polen zijn toen in brand gestoken. Mijn vader heeft al die waanzin meegemaakt, hij zal zelf ook wel veel wandaden hebben begaan, maar ons heeft hij er nooit iets over verteld. Wel liet hij ons zijn brave, bijna vrolijke fotoalbums zien.”

W.G. Sebald haat zijn vader niet. Hij haat alleen de namen die hij van zijn ouders kreeg. "Mijn tweede naam Georg is de naam van mijn vader, een naam die ik nooit wilde. En Winfried is een echte nazi-naam. Ik was jaloers op de jongens uit ons dorp, die Franz of Paul of Herrmann heetten. Zulke traditionele namen pasten veel beter in die boerenomgeving.'

Zelfmoord

Wertach, Sebalds Beierse geboortedorp, staat in De emigrés model voor de Duitse Heimat. De spitse kerktoren van het plaatsje is op verschillende foto's in het boek te zien, half verscholen achter een koets vol dorpelingen, maar ook als olieverfschilderij in de woonkamer van een emigrantenfamilie in de Newyorkse Bronx. Achter het dorp gaan de velden in beboste berghellingen over, in alpenweiden en steile rotspartijen. In deze pittoreske landstreek pleegt een van de hoofdpersonen zelfmoord. "Dit is de spoorbaan waar Paul Bereyter zich voor de trein heeft gegooid." Sebald wijst op een illustratie in het boek. "Ik heb mijn camera op de rails gelegd en afgedrukt. Zijn zelfmoord was voor mij iets onbegrijpelijks. Op de lagere school heb ik jarenlang les van hem gehad; hij trok vaak met ons de bergen in en leerde ons prachtige vaderlandslievende liedjes. In Wertach wist niemand iets over hem te vertellen. Via via stuitte ik op de naam van een dame in Zwitserland. Wat bleek? Deze geliefde onderwijzer had ons heimelijk gehaat. Hij kon maar niet vergeten dat de fascisten hem voor de oorlog vanwege zijn joodse afkomst van school hadden gestuurd. Nu pas besefte ik dat hij een overlevende van de holocaust was geweest. Vooral op het platteland zijn de sporen van de joden die er geleefd hebben volkomen uitgewist. Het is belangrijk om duidelijk te maken dat er niet alleen in Hamburg en Berlijn joden hebben geleefd, maar ook in de agrarische gemeenschappen.'

In het verhaal over de onderwijzer vertelt Sebald over een pogrom in het Frankische dorp Gunzenhausen. "De recensent van de Tageszeitung die mijn boek besprak komt toevallig uit Gunzenhausen. Hij schreef dat het vreselijk voor hem was in mijn boek op dit spoor te stuiten, omdat hij als kind niet had geweten dat er joden in zijn dorp hadden geleefd. Wel kende hij het woord synagoge. Opmerkelijk genoeg is de synagoge in Günzenhausen nooit afgebrand, ze is alleen van binnen vernield. Het gebouw stond er dus nog. En dit woord synagoge werd in de naoorlogse jaren, toen onze recensent in Günzenhausen naar school ging, nog steeds door de plaatselijke bevolking gebezigd. Alleen was er nu een stoomketelfabriek in het voormalige godshuis gevestigd. Zodat deze journalist als jongen altijd dacht: synagoge is een synomiem voor stoomketelfabriek.'

Niet alle personages in De emigrés zijn joden. Eén verhaal is gewijd aan een Duitser die om puur economische redenen emigreerde. Critici hebben Sebald verweten dat dit verhaal niet in de bundel thuishoort, maar zelf vindt hij het hier toegepaste omgekeerde perspectief juist heel verfrissend. "Het is het verhaal', zegt hij, "van een niet-joodse man die in Amerika een hechte, solidaire verhouding met een joodse man aangaat.' Ook dit verhaal is gebaseerd op een ware geschiedenis. "Mijn oudoom emigreerde rond 1900 uit Beieren. Het politieke antisemitisme dat rond 1880 in Wenen en Berlijn de kop op stak, kwam in Zuid-Duitsland waarschijnlijk maar amper voor. Mijn oudoom had geen negatief beeld van de joden; hij kon nog een onbevangen relatie met een jood aangaan. Zoiets zou nu vrijwel onmogelijk zijn. Als nu een Duitser een jood ontmoet, wil hij uitsluitend over het jodendom praten. Alsof een jood alleen maar een jood is en geen gepassioneerde dichter, wandelaar of wat dan ook! In zijn omgang met joden treft zelfs de meest welwillende Duitser steevast de verkeerde toon.'

De oudoom van de schrijver was in Amerika de bediende van een rijke jood. Aan de hand van hun liefdesgeschiedenis laat Sebald zien hoe afhankelijk Duitsers en joden van elkaar waren. "Joden zijn niet altijd de slaven van de Duitsers geweest; de verhoudingen hebben, zeker onder de emigrés, ook weleens anders gelegen. De eerste joodse immigranten in Amerika werken bij de reeds ingeburgerde Duitsers als dienstboden. In de jaren twintig, de tijd van de grote depressie, komt de tweede golf Duitse immigranten in New York aan, en deze Duitsers vinden werk in de huishouding van de inmiddels ingeburgerde joodse families. Al mijn ooms en tantes hoorden bij deze groep Duitse immigranten. Als mijn moeder twee of drie jaar ouder was geweest zou zij ook naar Amerika zijn afgereisd. Toen Hitler aan de macht kwam was zij negentien. Emigreren was toen niet meer nodig omdat het met de Duitse economie weer beter ging.'

In zijn gecultiveerde schrijfstijl weerspiegelt Sebald de levenswijze van zijn personages, die met luxe stoomschepen reizen, in chique hotels logeren en mooie Engelse landhuizen bewonen. De beulen en barbaren blijven zorgvuldig buiten beeld en op woorden als "nazi's' of "Auschwitz' lijkt een taboe te rusten. "Ik houd niet van pathos', legt hij uit. "Ik wantrouw het aanklagerige toontje van Duitse schrijvers als Rolf Hochhuth en Heinrich Böll. Hun morele verontwaardiging komt bijna altijd neer op het vrijpleiten van zichzelf.' Zelf streeft hij naar "een evenwicht tussen een nostalgisch verlangen naar vroeger en een scherp historisch bewustzijn'.

Het zoeken naar dat evenwicht blijkt een hels karwei; van elke twintig bladzijden die Sebald schrijft blijft meestal maar één bruikbaar kantje over. "Ik probeer het steeds opnieuw, altijd met de hand, door elkaar heen en over elkaar heen, met heel veel doorhalingen - het ziet er vreselijk uit. Ik schrijf met enorme gewetenswroeging omdat ik er niet zeker van ben of ik er geen schade mee aanricht. Ik weet alleen dat schrijven, en kunst überhaupt, bij velen op zelfvernietiging uitloopt. Hopelijk vergaat het mij niet net zo als de kunstschilder in het laatste verhaal van De emigrés. Dat is een vreselijke perfectionist die tenslotte geen streek meer op het doek kan krijgen. Hij raakt aan de drugs en eindigt in een psychiatrische inrichting. De moraal van dat verhaal? Kunst is niet helemaal koosjer.'