Varkensliedje (23)

Ach, welke boze Demiurg

Heeft mij zo kwaad bejegend?

Hij stuurde mij naar Regensburg,

Waar 't alle dagen regent.

Een stad die steeds net niet verzuipt:

Je hoort het eeuwig ruisen;

Zie hoe het hemelwater druipt

Op poesen en op muisen.

Het is van Regensburg niet ver,

Niet ver naar Ratisbonne;

Slechts droge mensen wonen er,

En zitten zich te zonnen.

Maar hier is alles eeuwig nat,

Nog natter dan een zwemmer;

Als schutspatroon van deze stad

Vereren ze een Emmer.

Wees dus gewaarschuwd, Demiurg,

Eens komt de tijd dat ik je wurg;

Dan ga ik weg uit Regensburg

En vestig mij als breinchirurg.

Je zult pas je gebeente zegenen

Wanneer je het nooit meer laat regenen.