Tegenstrijdige geluiden uit Washington

Vier jaar geleden deed de pas gekozen president Bush er ongeveer een half jaar over voordat de wereld wist wat zijn buitenlandse politiek was. Tegen ongeduldigen zei hij steeds: we zijn nog aan het studeren. Per slot van rekening heeft hij het niet slecht gedaan, en dat nog wel in een tijd van grote veranderingen en crises (val van het communisme, Duitse eenheid, Golfoorlog). Toch blijft het vreemd: de gedachte dat de wereld wel stil zal blijven totdat Amerika uitgestudeerd is.

Met president Clinton lijkt het omgekeerde aan de hand te zijn: een volkomen improvisatie op het gebied van de buitenlandse politiek, met als gevolg: tegenstrijdige geluiden uit Washington. Ook dat laat de anderen in onzekerheid. Het verschil met Bush' begintijd is dat er op een goed ogenblik een eind kwam aan die studie, terwijl die ongewisheid onder Clinton endemisch lijkt.

Of is de raketaanval op Bagdad van verleden zondag het eerste teken van de internationale koers die Clinton nu varen gaat? Zo ja, dan moet menigeen erdoor verrast zijn geweest, want het klopt nauwelijks met het beeld van Clinton de progressief en vroegere anti-Vietnam activist.

Er zijn dan ook onmiddellijk verklaringen te horen die die aanval niet zozeer gedicteerd zien door de dreiging die Saddam Hussein zou vormen als wel door de binnenlandse positie waarin Clinton verkeert: de meerderheid van de Amerikanen houdt hem voor een stuntelaar en een weifelaar. Hij was dus gedwongen het tegendeel te bewijzen. Bovendien lag hij, bezuiniger en voorstander van homo's in de krijgsmacht, slecht bij de militaire leiding. Ook tegenover haar kon een macho-optreden geen kwaad.

Die verklaringen hoeven niet helemaal onjuist te zijn, maar dat wil nog niet zeggen dat Clintons optreden tegen Irak niet ook in de zaak zelf een verklaring kan vinden. Irak is een staat die er niet voor terugdeinst terreur als middel van politiek te gebruiken. Tegenover zo'n staat zijn ongewone middelen gerechtvaardigd, die op gespannen voet kunnen staan met het internationale recht. Maar tegenover terreurstaten schiet dat recht vaak te kort.

Was dus het middel dat Clinton tegen Irak gebruikte gerechtvaardigd, minder overtuigend was het motief dat hij ervoor opgaf. Hij gaf de - mislukte! - moordaanslag op oud-president Bush als reden. Dan lijkt het erg veel op een daad van vergelding. Als hij de - wel gelukte - bomaanslag op het Newyorkse World Trade Center zou hebben genoemd, zou het als zelfverdediging hebben kunnen gelden; in elk geval als waarschuwing, ook aan anderen.

In dat geval zou de raketaanval op het centrum van de Iraakse geheime dienst in dezelfde categorie vallen als de luchtaanval waarmee de Israëlische luchtmacht in 1981 een Iraakse kernreactor uitschakelde. Destijds werd die aanval algemeen veroordeeld, maar wie is er nu niet blij dat Irak ten tijde van de Golfoorlog tenminste niet over kernwapens beschikte? De Scud-aanvallen op Israel zouden mèt die wapens die oorlog nog heel wat vernietigender hebben gemaakt.

De vergelijking tussen Irak, waar Clinton wèl militair optreedt, en de eveneens mohammedaanse Bosniërs, die hij laat stikken, gaat niet op. Met Bosnië is, hoe hard dat ook klinkt, geen direct Amerikaans belang gemoeid; met Irak, dat aanslagen op zenuwcentra van de Amerikaanse samenleving aanmoedigt, zo niet organiseert, wèl. (Overigens is het Clinton die luchtaanvallen op Servische stellingen voorstelt, en zijn het de Europeanen die die voorstellen afwijzen.)

Intussen is er wat voor te zeggen dat vooral de kleine Europese landen terughoudend hebben gereageerd op de Amerikaanse actie. Zij hebben bij uitstek belang bij het hooghouden van het internationale recht. De voormalige hoogleraar in het volkenrecht minister Kooijmans ging al rijkelijk ver in realisme door die actie "begrijpelijk' te noemen, al achtte hij het beroep op zelfverdediging kwestieus.

Hij besefte waarschijnlijk de waarheid die schuilt in de woorden die de liberaal Van Riel ruim dertig jaar geleden in de Eerste Kamer heeft gesproken: “Wanneer wij volkomen rechtmatig met rechtsnormen werken, ziet de ander daarin toch niet veel anders dan de projectie van wat misschien feitelijk machteloosheid is. Op dat ogenblik heeft het gebruik van rechtsargumenten belangrijk aan waarde verloren.”