Sociale woningbouw op het KNSM-eiland; Een hek voor de wolken

Het KNSM-eiland in het oostelijk havengebied van Amsterdam is een locatie met lucht, licht en ruimte. Waarom inspireert de ongekende ruimtelijke vrijheid van het eiland niet tot ongewone architectonische verbeeldingskracht, tot woningbouw met terrassen en balkons die we nooit eerder hebben gezien en meegemaakt? Gesloten bouwblokken bieden de bewoners vooral uitzicht op elkaar, niet op het water, niet op de hemel, niet op de zon.

Met lange blote benen, gestoken in khaki shorts, zit een jonge vrouw op het kleine, bijna halfronde balkon een boek te lezen. De terrasstoel van witte kunststof heeft zij zijwaarts, zo dicht mogelijk tegen het leuninghekwerk gezet omdat de afmetingen van het balkon minimaal zijn. Dit is de enige opstelling die geschikt is om één persoon, van top tot teen op het balkon buiten te laten zitten. De vrouw heeft haar benen over elkaar geslagen. Zou zij haar benen strekken, dan zouden haar voeten door de spijlen van het gebogen hekwerk naar buiten steken. Zij heeft een gemproviseerde pose, alsof zij een plekje heeft opgezocht, dat eigenlijk niet voor zitten in de open lucht is ingericht.

Dit tafereel was het eerste beeld dat ik zag toen ik vorige week zondagmiddag - het was prachtig weer - op het KNSM-eiland in het oostelijk havengebied van Amsterdam de arena van het Bruno Albertcomplex betrad. Het massale woongebouw, ontworpen door de Belgische architect Bruno Albert, is onlangs voltooid. Het complex bevat driehonderdtwintig woningwetwoningen die in ruim veertig verschillende woningtypen zijn ondergebracht in twee gesloten, rechthoekige bouwblokken aan weerszijden van een centraal cirkelgebouw met een arena in het midden. Van bovenaf lijkt het symmetrische bouwwerk op een reusachtige broche met een groene steen in het midden, of op een ouderwets sigarebandje dat is platgestreken. De twee rechte, gesloten bouwblokken doen denken aan heel veel andere rechte, gesloten bouwblokken. Het ronde middendeel roept herinneringen op aan het Colosseum, maar vooral aan het spectaculaire halfronde woongebouw "Le Théâtre' in de Parijse voorstad Marne-la-Vallée van de Spaanse architect Ricardo Bofill. Het neoclassicistische Le Théâtre heeft indertijd, toen het begin jaren tachtig was voltooid, heftige reacties teweeggebracht. De architectuur van het voor die tijd buitensporig monumentale betonnen woongebouw werd door de zware colonnades die van boven door een soort olympische fakkelschalen worden bekroond met daarin coniferen als kunstmatige vlammen, beoordeeld als ongehoord hoogmoedig en zelfs fascistisch. Dit soort verwijten zal het Bruno Albertcomplex niet zo gauw treffen. Niet alleen omdat in de architectuur-waardering de normen intussen zijn verschoven, ook omdat de schaal te klein is voor zulke reusachtige begrippen, de donkerrode en lichtgele baksteen te vriendelijk, en de opbouw niet dramatisch en theatraal genoeg. Zelfs het immense hekwerk van de Belgische kunstenaar Narcisse Tordoir, dat de enige volledige cirkelopening aan de zuidzijde van het gebouw zogenaamd tot boven aan toe afsluit, is zo licht en luchtig dat het, ondanks de afmetingen, wars is van elke vorm van imponeerzucht.

Maar dit hek voor de wolken heeft wel een bijzondere betekenis. Het kunstwerk dat de onmetelijke ruimte boven het water scheidt van het woongebouw symboliseert het misverstand dat aan het ontwerp van Bruno Albert ten grondslag ligt. Het huizencomplex op deze smalle strook land midden in het water, is in plaats van naar buiten, naar binnen gekeerd. Het is opgerold en in elkaar gevouwen, alsof het afkerig is van zo'n overdaad aan licht, lucht en ruimte, terwijl de verantwoordelijke woningbouwvereniging Het Oosten deze elementen juist gebruikt om de kwaliteit van de huizen aan te prijzen.

Akoestiek

De jonge vrouw, zo benard op haar balkonnetje aan de binnencirkel geklemd, heeft slechts uitzicht op andere bewoners van het cirkelgebouw die net als zij, op hun balkonnetjes bekneld zitten. En kijkt zij naar beneden, dan ziet zij de arena van gras, het groene "orchestra' waarop blanke en gekleurde kinderen spelen, hun stemmen schel weerkaatsend tegen de gestreepte stenen opbouw van het amfitheater dat een opvallend goede akoestiek bezit. Wat voor het bijna gesloten cirkelgebouw geldt, is ook van toepassing op de twee rechthoekige bouwblokken ten westen en ten oosten van de arena. De bewoners kijken hier vooral uit op de omsloten binnenterreinen en dus op elkaar. Het zo begeerde directe uitzicht op het water - het lijkt toch het belangrijkste motief om in deze winderige uithoek neer te strijken - is slechts voor een kleine minderheid van de bewoners van het Albertcomplex weggelegd, en dan nog vaak alleen door het raam van de bad- of slaapkamer. En voor het met meer dan één persoon op je eigen balkon genieten van zon en water, biedt de architectuur van deze veredelde woonkazerne helemaal geen gelegenheid.

Aan de meest ideale zijde, de zuidzijde, zijn de balkons zelfs teruggebracht tot n het interieur van de woning. Dat wil zeggen: teruggebracht tot het geprojecteerde balkon. Je zet de raamdeuren open en de uitgerekte lichtplek die op de vloer naar binnen valt, zou een balkon kunnen zijn. Een hekwerkje voor de raamdeuren, pal op de gevel aangebracht, versterkt deze belevenis. Wie op een zonnige dag het Bruno Albertcomplex inspecteert, zal ontdekken dat opmerkelijk veel bewoners zich de primitieve binnenstadsmethode van het zelfgemaakte balkon hebben eigengemaakt. Hoe schril is het contrast tussen deze benauwde architectuur en de grenzeloze ruimte van het eiland van de vroegere Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij?

De verraderlijke balkonscènes zijn kenmerkend voor veel nieuwbouw, en vooral sociale woningbouw en balkons verdragen elkaar niet erg. Worden er in deze categorie balkons toegepast, dan mogen ze kennelijk niet groter zijn dan het kamertje waar zelfs de keizer te voet gaat en is het ook niet mogelijk daar op een andere manier op te zitten.

Er bestaan prachtige fotoboeken over de erbarmelijke woonomstandigheden in de grootstedelijke huurkazernes aan het einde van de vorige eeuw. Op schrijnende zwartwit afbeeldingen zijn grote gezinnen te zien, samengepropt in vervallen kelderruimtes. Op wrakke balustrades zitten lamlendige, werkeloze dronkaards tegen een achtergrond van vuil wasgoed. Kinderen spelen onbekommerd tussen uitpuilende vuilnisvaten op een donkere binnenplaats.

Hoe zal het woonmilieu van onze tijd over tachtig jaar in prachtige fotoboeken - want die zijn er dan nog steeds - worden voorgesteld? In het hoofdstuk over de sociale woningbouw aan het einde van de twintigste eeuw, zal beslist een afbeelding, in kleur, zijn opgenomen van een jonge vrouw, gezeten op een stoel van witte kunststof op een piepklein, halfrond balkon, krampachtig tegen de leuning gedrukt. Alleen in deze pose kan ze volledig buiten zijn. In een bijschrift zal er dan op worden gewezen, dat deze groot uitgevallen vensterbanken met een hekje ervoor in de jaren negentig van de vorige eeuw werden aangeprezen als luxueuze voorzieningen van prachtige woningen, gebouwd op een schiereiland in de periferie van Amsterdam, genaamd de woonkazerne Bruno Albert.

Geslotenheid

In dit boek zal zeker ook het woongebouw van de Duitse architect Hans Kollhoff staan afgebeeld. Het verrijst aan dezelfde kant van het KNSM-eiland als 'Albert', maar straalt een totaal andere stemming uit. Het loodsachtige gebouw is nog lang niet klaar en het is dus te vroeg om een gefundeerd oordeel te geven. Maar zeker is, dat dit strenge, Duitshandige bouwwerk zich net zo naar binnen keert als de meer luchthartige Belgische variant. Architectonisch lijkt het wel een veel interessanter gebouw te worden, met mooie details in de vlakke gevelwanden van donkerpaarsrode baksteen: dunne stalen raamkozijnen en prachtige houten deuren à la de Amsterdamse School. Grote balkons zijn als lange slurfgaten uit de gevel gespaard en zij lijken zó diep en de balustrades zó hoog, dat verraderlijke balkonscènes van buitenaf straks vermoedelijk niet zichtbaar zullen zijn. Hier past gissing en de toekomende tijd, want het plan van Kollhoff is nog ver van voltooiing verwijderd. Er zijn nog geen bewoners die op hun balkon een pose aannemen die wordt ingegeven door de hen geboden ruimte. Maar die pose zal straks een stuk gerieflijker en minder krampachtig zijn, dan die van de bewoners op de balkons van het buurgebouw.

Het gebouw van Hans Kollhoff en het complex van Bruno Albert verwijzen met hun machtige geslotenheid sterk naar het havenverleden van het KNSM-eiland. In de heldere stedebouwkundige opzet die de architect Jo Coenen voor het langgerekte, door water omsloten gebied heeft gemaakt, is de oorspronkelijke indeling met loodscomplexen aan de lange kade-zijden en een breed transportgebied in het midden, gehandhaafd. Waar vroeger het spooremplacement voor het goederenvervoer zich uitstrekte, komt nu een brede boulevard tot stand als de centrale verbindings-allee tussen de uiteenlopende woonvoorzieningen. Coenen zelf, staat nog ingetekend voor een markant cirkelgebouw aan de kop van het eiland, een nu nog desolaat terrein waar vooral honden een uitgelaten leven leiden. Op de ontwerptekeningen en de maquette ziet deze afsluitende en afgesloten rotonde er ook weer niet erg licht-, lucht-, en ruimtelievend uit.

Waarom inspireert de ongekende ruimtelijke vrijheid van het KNSM-eiland niet tot meer ongewone architectonische verbeeldingskracht, tot woningbouw met terrassen en balkons die we nooit eerder hebben gezien en meegemaakt? Als nieuwe stemmingen en sferen in architectuur en stedebouw ergens kunnen worden beproefd, dan is het wel in dit deel van het oostelijk havengebied. Je zou willen dat hier, in deze uithoek waar water en ruimte de heersende factoren zijn, een permanente architectuur-tentoonstelling ontstaat, waarin vele geschiedenissen samenkomen. Niet alleen de geschiedenis van de KNSM, van het aardappeloproer, van de landverhuizers, van de legendarische vaart op Indië, Afrika en Amerika en van de gewetensvolle, historisch bewuste krakers en "landpiraten' die er in de jaren tachtig voor hebben gezorgd dat het Amsterdamse stadsbestuur zich het unieke karakter van dit havengebied ging realiseren. Niet alleen deze geschiedenissen, maar ook de geschiedenis van de moderne architectuur.

Maar ja, dan ontwaar je het armoedige gebouw van de stadsdeelraad Zeeburg, aan het begin van de Cruquiusweg. De architectuur van uitgerekend dit centralebestuursgebouw is zo dodelijk smakeloos, dat al die opwindende geschiedenissen door de architectuur van dit gebouw - ontworpen door H.Klunder - worden ontkend. Met dit akelige, onverschillige gezicht zal het stadsdeel Zeeburg niet gemakkelijk een geloofwaardig beheer kunnen voeren over de haar toevertrouwde, door de Centrale Stad ontwikkelde nieuwe stadsdelen, zoals bijvoorbeeld het Entrepot-west. De voorbeeldige, grijsgele sociale woningbouw, ontworpen door het Haagse Atelier PRO, met de lichte, over het water slingerende huizenslang en de elegante, houten oevervlonders, is nu al een van de aangenaamste bezienswaardigheden van de architectuur-tentoonstelling in staat van wording. Als het 't stadsdeel Zeeburg ernst is met haar zorg voor hoogwaardige architectuur en stedebouw, dan moet zij de eigen huisvesting onmiddellijk met de grond gelijk maken.