Rominger en Zülle mogelijke concurrenten van Indurain; Opleving van Zwitserse wielrennen

Ferdi Kübler, Hugo Koblet en in mindere mate Fritz Schaer vormden veertig jaar geleden een illuster Zwitsers wielertrio. Koblet, "mooie Hugo', won de Tour de France in 1951, "de neus" Kübler deed dat twaalf maanden eerder en in 1954 finishten Kübler en Schaer als tweede en derde achter de fameuze Louison Bobet.

Sindsdien laten de ronderenners uit het Alpenland het afweten, met uitzondering misschien van Urs Zimmerman, die in 1986 nog de bronzen medaille ontving op de Champs Elysées. In de jaren negentig is er sprake van een opmerkelijke ommekeer. Ineens staan de Zwitserse talenten er. Zomaar, alsof er een blik kon worden opengetrokken.

De opleving is geen verdienste van perfecte scouting of van een degelijke opleiding door de Zwitserse bond. Verre van dat, de bestuurders in Bern laten de coureurs maar aanmodderen. Ze is ook geen gevolg van de doordachte arbeid van Paul Köchli, de professor uit de Jura die Bernard Hinault in de jaren tachtig de weg wees bij diens geslaagde come-back.

Integendeel. Köchli, wiens ploeg Helvetia eind 1992 stopte, heeft zich vier jaar zelfs geleden lelijk verkeken toen hij een jonge ambitieuze amateur testte. Want hij zond hem heen. De naam? Alex Zülle. Wellicht dé belofte van de beginjaren negentig. De kenners rekenen erop dat Zülle, samen met zijn veel oudere landgenoot Tony Rominger, komende maand in de Tour een van de grootste concurrenten zal zijn van Miguel Indurain, de favoriet nummer één voor de eindzege.

Dat de sterren van Zülle en Rominger zo hoog zijn gestegen komt met name door hun sterke optreden in de Ronde van Spanje. De tandem stak in mei met kop en schouders boven de andere deelnemers uit. Het duo was solide en regelmatig in zowel de tijdritten als de bergen. In het slotklassement bedroeg het onderlinge verschil tussen winnaar Rominger en (de op de voorlaatste dag gevallen) Zülle negenentwintig seconden. Nummer drie, Laudelino Cubino, had al een achterstand van bijna negen minuten, Oliverio Rincon (vierde) zelfs negeneneenhalve minuut. De oude Pedro Delgado en de wisselvallige Erik Breukink liepen nog veel meer schade op.

Maar in de Tour, die morgen in Le Puy du Fou begint, komen Rominger en Zülle renners met grotere allure tegen. Niet alleen Indurain, de tweevoudige winnaar, ook Claudio Chiappucci en Gianni Bugno, twee Italiaanse helden. De bewondering van de supporters is nog altijd onbegrensd, toch is het vertrouwen in hun mogelijkheden afgenomen. Chiappucci trok in de Ronde van Italië weliswaar herhaaldelijk de aandacht met aanvallen in de bergen, het treurige blijft voor hem dat de machthebber Indurain daar niet van wakker ligt. In de wetenschap dat hij Chiappucci in de tijdritten weer tot de orde kan roepen. En Bugno? De tweevoudige wereldkampioen is niet boordevol zelfvertrouwen naar Frankrijk gereisd. Zij laatste grote test, de Giro, werd een enorm fiasco.

Indurain won de Ronde van Italië tamelijk gemakkelijk. Het is tekenend dat de fanatieke Chiappucci in de strijd om de tweede plaats Piotr Oegroemov, een 32-jarige vrij onbekende Let, voorrang moest geven. Indurain zal er door zijn gesterkt. Hij maakt dan ook een ontspannen indruk. De Tour van 1993 is hem op het lijf geschreven. Slechts twee keer ligt de finish op een berg - Indurain heeft daar moeite mee, denk aan de etappe naar Sestrières van vorig jaar - en het door hem vervloekte uitstapje naar de natte en winderige Benelux ontbreekt.

Bovendien, de Spanjaard meldde het al bij de Tourpresentatie, eind oktober in Parijs: twee individuele tijdritten, 59 en 48 kilometer lang, geven hem als specialist royaal de kans afstand te nemen van zijn concurrenten. Maar toen was Zülle, inmiddels ook een kanjer op deze discipline, nog niet echt in beeld.

De naam Zülle spookt door de Tourkaravaan. Afgelopen voorjaar begon hij in Parijs-Nice en de Ronde van Spanje als een helper van Breukink, maar hij overvleugelde zijn meester. En dus werden de rollen omgedraaid. Tot voor kort rekenden de Rondevolgers erop dat ploegleider Manolo Saiz de coming-man nog niet volop in de Tourstrijd zou werpen. Maar Breukink ontkrachtte dat verhaal afgelopen zondag: “Saiz rekent erop dat twee van zijn renners bij de eerste vijf komen, van wie één op het podium”, zei de Nederlander, die in zijn rood-wit-blauwe trui vol vertrouwen aan de Tour begint en in de topdrie kan eindigen wanneer hij eindelijk eens niet die eeuwige zwakke dag tegenkomt.

Als Saiz inderdaad het uiterste eist van het Zwitserse "groentje' Zülle dan breekt hij met een goede gewoonte - en wie weet krijgt hij daar nog spijt van. Doorgaans is de Spaanse vakman namelijk heel zuinig op zijn talenten. Is hij geduldig en koestert hij hen. Zo meldde hij vóór de Tourstart van 1992 al dat de onervaren Zülle halverwege het spektakel zou afstappen. Dat gebeurde ook, om overbelasting te voorkomen. En dit jaar laat hij la Grande Boucle voorbij gaan aan zijn jonge coureur Laurent Dufaux, de winnaar van de Dauphiné Libéré en afkomstig uit het opengetrokken Zwitserse blik, waar ook nog ene Zberg uit kwam rollen.