Nieuw Sinfonietta speelt Tsjaikofski met transparante klank

Concert: Nieuw Sinfonietta Amsterdam o.l.v. Lev Markiz. Programma: werken van Pjotr Iljitsj Tsjaikofski en Sergei Prokovjef. Gehoord: 1/7, Concertgebouw, Amsterdam. Radio-uitzending: 12/8, door Veronica op Radio 4.

In de zomermaanden schakelt het muziekleven traditiegetrouw een paar versnellingen terug. Om het magere aanbod van levende muziek wat op te krikken, organiseert het Amsterdamse Concertgebouw samen met de Robeco Groep voor de vijfde maal een reeks van bijna veertig concerten. Veel aandacht is er voor de muziek van Pjotr Iljitsj Tsjaikofski die honderd jaar geleden overleed.

Ook Nieuw Sinfonietta Amsterdam, dat gisteravond in de Grote Zaal de serie Zomerconcerten opende, speelde twee stukken van Tsjaikofski. Dirigent Lev Markiz en zijn strijkorkest hebben de Serenade in C gr.t. opus 48 al langer op hun repertoire en beheersen het stuk volkomen. Tsjaikofski beschouwde de Serenade als een hommage aan de klassieke stijl van Mozart, maar zijn muziek is doortrokken van een romantische pathetiek. Voor Nieuw Sinfonietta Amsterdam ligt het accent echter niet op zwelgende lijnen. Het orkest hecht eerder aan een verzadigde, transparante strijkersklank die op sommige momenten de intimiteit en helderheid van een strijkkwartet benadert.

Dat Markiz zich volledig thuisvoelt in de gracieuze weemoed van Tsjaikofski bleek ook in de onbekende Serenade voor de naamdag van N. Rubinstein, waarvoor het orkest werd uitgebreid met een blaaskwintet. Zo'n vereenzelviging met de muziek was minder duidelijk in Prokofjevs Visions Fugitives, oorspronkelijk geschreven voor piano en door Rudolf Barshai genstrumenteerd voor strijkorkest. Prokofjevs aforismen zijn vluchtige muzikale beelden, als bewegingen die je vanuit je ooghoeken waarneemt. Barshai werkte de pianoversie om tot een staalkaart van stijltjes, stemmingen en speelmanieren. Het valt in technisch opzicht niet mee om de kaleidoscoop van stukjes te spelen, laat staan om de ze elk afzonderlijk een logisch klinkende spanningsboog te geven. Dat de innerlijke samenhang hier en daar ontbrak, lag deels aan de hoge tempi die Markiz aanhield.

Voor de Klassieke symfonie in D gr.t. opus 25 gold eveneens dat de interpretatie nog kan groeien. Net als Tsjaikofki's in zijn Serenade in C greep Prokofjev terug op de erfenis van de componisten van de late achttiende eeuw, in zijn geval Haydn. Het resultaat was een compositie zonder al te veel harmonische voetangels en klemmen, die door Nieuw Sinfonietta Amsterdam mooi werd gespeeld hoewel de Finale door Markiz opnieuw wel erg rap werd geslagen.

In de eerste toegift, de innige Elegie in G gr.t. die Tsjaikofski in 1884 schreef ter nagedachtenis van Ivan Samarin, klonk opnieuw dat volmaakt homogene geluid dat in de afgelopen vijf jaar het handelsmerk van het orkest werd.