Morgen zal de zee gemarmerd zijn; Leo Vromans tastende versregels

Leo Vroman: De godganselijke nacht. Uitg. Querido, 112 blz. Prijs ƒ 29,90.

Op de drukke weg is een ongeluk gebeurd. Alle verkeer stopt. In de vreemde stilte die dan intreedt, stapt iemand uit zijn auto om te gaan kijken. Over gewonde automobilisten of blikschade lezen we niets; hij heeft alleen maar oog voor de motorolie die op het natte asfalt lekt. Dit is wat hij op de plaats van het ongeluk ziet: ”Dan kruipt van onder het ongeluk / over het natzwarte asfalt / een groeiend schilderij / van paarsrood en daarin / van een blauw nee gifgroen gewei / strogeel en daaromheen / een geveerde zilverbruine band'.

Bij een verkeersongeluk alleen verwonderd kijken naar een schilderij van oliekleuren: deze man moet wel een kind zijn, zoals een kind in een museum temidden van olieverfschilderijen alleen oog heeft voor het rode brandblusapparaat aan de muur. Of een dichter. Of anders wel een nieuwgierige bioloog met meer dan gemiddelde aandacht voor de schoonheid van de ”prachtige interferentiekleuren' die hier ”gratis' te bezichtigen zijn en die aan ”de tot stilstand gedwongen wielen' een zielige feestgroet brengen.

Kind, dichter, bioloog met oog voor groeiende olieschilderijen: aan dit signalement voldoet alleen Leo Vroman. Hij moet wel de man zijn die daar, in zijn eigen gedicht ”Oliekleuren', in de regen staat te kijken en die in de plas olie eerst nog even een interessante landkaart met bewegende hoogtelijnen wil zien, voordat hij het besef van mogelijke verkeersslachtoffers in zijn gedicht toelaat. Al die tijd speelt de gedachte aan een plas bloed mee, maar die komt pas later, na ruim dertig regels, als het verkeer al weer rijdt, de ambulances zijn vertrokken en het asfalt al weer langzaam door de regen wordt schoongewassen. Dan is te zien hoe ”het ware rood', het bloed van ”de doodgeschrokkenen', kleurvast wegspoelt en sterft, terwijl de oliekleuren sterk verdund op het asfalt achterblijven.

Dat is ook het moment waarop Vroman zijn gedicht van een grote wending voorziet. Wat zich daar op het asfalt in het klein voltrok, zal straks ook in het groot gebeuren, zo waarschuwt hij. Door zinkende tankers en allerlei andere vervuiling zullen onze zeeën al even mooi gaan verkleuren. Dat zal een prachtpalet opleveren, waar de dolfijnen dan ook nog eens mooie krullende patronen in mogen trekken, als ze tenminste nog niet gestorven zijn. Morgen zal de zee gemarmerd zijn en er prachtig bij liggen in het licht van de opkomende zon - maar niemand zal het kunnen zien, want ook ”onze ogen zijn dan al gesloten'.

Sliertig

”Oliekleuren' is een typisch Vromangedicht, met zijn verbinding van het allerkleinste en het allergrootste, van anekdote en moraal, van onalledaagse schoonheid, wetenschappelijke nieuwsgierigheid en ecologische bezorgdheid. Het is het vierde gedicht uit een tiendelige apocalyptische reeks, te vinden in Vromans nieuwe, dikke bundel De godganselijke nacht. In zijn poëzie vinden veel soorten gedichten onderdak, steeds gevangen in soepel rijmende, altijd frisse formuleringen die achter elkaar niettemin de indruk van ontspannen gebabbel wekken.

Vroman is onze meest omarmende dichter, in allerlei opzichten, maar het lijkt wel alsof zijn poëzie, die altijd al uit haar voegen dreigde te barsten, nu meer dan ooit op springen staat. Hij begeeft zich vaak tot aan de rand (een woord dat vaak voorkomt), tot aan ”de afgrond van mijn leven', en verder: in half-reële overgangsgebieden, in het domein van de droom en de dood, in grillige speculaties over werelden die zich in micro- en macrokosmos verborgen houden, meestal in tastende en sliertige versregels. Het zijn oefeningen voor wat komen gaat, voor ”dat latere / dat zonder mij zijn'. Vroman ontkomt er niet aan zijn eigen naderende dood in verband te brengen met de naderende ondergang van onze ”godganselijke planeet'. In het titelgedicht ligt hij de hele godganselijke nacht te wachten op een alles omverwerpende aardschudding, maar die blijft nog even uit. En de dichter weet zelf ook wel waarom: ”Ach nee aarde ik ben het alleen / die mijn einde tot het jouwe heb vergroot'.

Wat hij tegenover het uiteenvallen in stelling kan brengen is een geloof in een hogere eenheid en orde. ”Geen wankelende vaas valt ooit / aan willekeurige stukken', weet hij, ”geen steentje door een kind gegooid / in dit heelal dat ons omplooit / zal het zelfs onbedoeld gelukken / zich aan de orde te ontrukken / die ons al koesterend omkooit'. Het is vast niet toevallig dat dit geloof in ons onvergankelijk vergaan bezongen wordt in een keurig geordend sonnet: de versvorm waarin tegendelen van oudsher het best omarmd kunnen worden.

Boerenkoolkropharten

Er is geen dichter die, zowel in het groot als in het klein, zo experimenteel is als Vroman. En er is al helemaal geen dichter die daarnaast ook nog eens een boodschap durft te hebben. In zijn gedichten komen ”baksteenbomen', ”boerenkoolkropharten', ”kleikoekzware spanen' en ”kiezelige liezen' voor; er wordt gemokt over onze ”haakrechthoekigheid' en ”onze akelige zaagkakigheid'. Het lijkt wel alsof het DNA van de taal al is aangetast, waardoor de woorden op eigen houtje mooie verbindingen zijn aangegaan - maar tegelijk is het wel degelijk een waarschuwing voor alles wat in werkelijkheid de structuur van het leven bedreigt. Temidden van zoveel ”verrommeling', ”zwijnebagger' en ”zelfobsceen geweld' is het toch de dichter die, zij het ”kromstreeks', de experimenten nog net in de hand houdt. En met een duidelijke bedoeling: ”onze eigen onvernietigbare / alles doorstralende mirakeldraak' is een mooie reeks woorden, maar ook een beeld voor de kernbom die aan al die mooie woorden een einde kan maken.

Hoe we ons dat voor kunnen stellen, laat het curieuze gedicht ”Van aanvang tot slot' zien. Als Vromans poëzie zich, zoals Vestdijk eens treffend heeft opgemerkt, vlak voor de explosie bevindt, dan bevindt hij zich in dit gedicht vlak na de implosie. Het vers bestaat uit één lang kettingwoord dat zich over de hele pagina uitstrekt. Het kan de verbeelding zijn van wat in een ander gedicht ”bladzijlange protenen' heten, eiwitten die deel uitmaken van ”het boek dat in ons bloed gemompeld wordt'. Maar dan is dit toch wel een heel bijzondere soort, want het verbindt aanvang en slot met elkaar. Van Aanvangstvalligkuurwerk.. slingert het zich via ..taalgebrekstokouderdomoor.. naar het watertandendrietveldslagveldslagveldslagvelderslot: een bol van gemplodeerde taal. Het is een gedicht om uit het hoofd te leren en in een adem op te zeggen, bijvoorbeeld in die luttele seconden die ons nog resten wanneer de bom gevallen is. Is dit alleen maar woordspel, hoger Opperlands? Misschien. Maar vlak voor het slot, verborgen tussen ..merkbaarmoedermaterie.. en ..tastbaarmoedermateloos.. valt deze droevige en eenzame roep om hulp te lezen: ..mensentochwatmoetik...