Hier is alleen de grote spiegel van de Atlantische Oceaan; Dependance van de Tate Gallery in St Ives

St Ives is het Bergen van Engeland - een "kunstenaarsdorp'. Sinds kort kan het behalve op kunstenaars en galeries, ook bogen op een eigen dependance van de Tate Gallery. “Het is een gebouw dat als een magneet zal gaan werken voor bewoners en bezoekers van de streek: onweerstaanbaar in zijn lichtheid en openheid en vrolijkheid.”

Tate Gallery St Ives. Ma, wo, vr, za 11-19u; di en do 11-21u; zo 13-19u.

Cornwall, de uiterst zuidwestelijke punt van Groot-Brittannië, is voor de Britten een romantisch oord: ver, vreemd en woest. Cornwall is kleine vissersplaatsjes en verscholen strandjes, opgesloten in begroeide baaien waarlangs de rotsen hoog boven zee uitrijzen. Cornwall is Daphne du Maurier en prehistorische steenformaties, het is Keltisch erfgoed en Land's End - bijna het westelijkste puntje van Europa. Omdat het van Londen wel minstens vijf uur reizen per trein of per auto wegligt, is Cornwall als vakantie-oord voor een groot deel ontsnapt aan de vloek die de gemiddelde Engelse badplaats tot een hel maakt. Schelpenwinkels, fish and chips-etablissementen en winkels waar schepnetjes en plaatselijke fudge (caramel) verkocht worden, vormen de ernstigste excessen. Het is in dit Cornwall dat de Tate Gallery, het museum voor moderne kunst in Londen, vorige week zijn tweede buitenpost heeft geopend: de Tate Gallery St Ives.

St Ives is het Bergen (Noord-Holland) van Engeland. Het heeft de faam van "kunstenaarsdorp' - vissershuizen en studio's leunen gezellig tegen elkaar aan langs de kromme kade van Porthmeor Bay. Achter die kade, iets hoger op de helling, detoneerde tot voor kort een immense gasfabriek. Die is nu vervangen door het nieuwe museum, dat met zijn getrapte ingang en halfrond naar buiten gebouwde voorgevel (verwijzing naar de gasketel) naadloos de vrijgekomen plek opvult. Het is een ontwerp van de architecten David Shalev en Eldred Evans, een tweetal dat zelf deel uitmaakt van de los samenhangende kunstenaarskolonie in en om St Ives. Evans' vader, de kunstschilder Merlyn Evans, bracht veel tijd door in St. Ives en de liefde voor die plaats moet wel haast in de genen van de familie zijn neergelegd. De Tate Gallery St Ives is tenminste een heerlijke plek geworden: veel meer dan alleen de behuizing van een collectie twintigste-eeuwse schilderijen, keramische gebruiksvoorwerpen en beeldhouwwerk van kunstenaars die verliefd werden op West-Cornwall. Het is een gebouw dat als een magneet zal gaan werken voor bewoners en bezoekers van de streek: onweerstaanbaar in zijn lichtheid en openheid en vrolijkheid en bijna de precieus geëxposeerde collectie overschaduwend.

Nicholas Serota, de directeur van de Tate Gallery in Londen, maakt duidelijk dat hij - na de uitbreiding van de Tate met een dependance in het havengebied van Liverpool - nooit aan een St Ives Tate zou hebben gedacht, als er in Cornwall zelf niet het initiatief zou zijn ontstaan om een museum voor het werk van de St Ives-school te bouwen. Dat idee kwam van het lokaal bestuur, dat wanhopig op zoek was naar een trekpleister in een gebied dat voor een kwart van zijn inkomsten drijft op toerisme - maar dat buiten het seizoen maar voor een beperkte groep fanaten iets te bieden heeft. Dankzij het werk van een lokale actiegroep, giften van particuliere weldoeners en vooral door een subsidie van bijna 2,5 miljoen gulden uit het regionaal ontwikkelingsfonds van de EG, durfde de Tate in het midden van een economische recessie toch nog aan het avontuur van een nieuwe, ver verwijderde outpost te beginnen. De totale bouwkosten bedroegen zo'n 8 miljoen gulden. De Britse regering, die - in de woorden van Serota - “niet gelooft in subsidies aan belangrijke regionale musea”, droeg niet meer dan 1,5 miljoen gulden aan het project bij.

Het grootste stempel op de geëxposeerde collectie drukken Ben Nicholson (1894-1982) en Barbara Hepworth (1903-1975), de coryfeeën om wie de St Ives School van schilders zich in en na de oorlog begon te groeperen. De meest blijvende plaats in het gebouw heeft Patrick Heron (nu 73) zich verworven. Hij ontwierp een vrolijk, Matisse-achtig beschilderd raam bij de entree van het museum.

Strandschermen

“Kijk naar dit licht,” zegt Heron en gebaart door een van de vele doorkijken in het museum naar het gele strand, de turkooizen zee en de gestreepte strandschermen voor de deur. “Kijk naar dit licht en kijk naar de daken van St Ives en je weet waarom zoveel mensen hier gekomen zijn om te schilderen. Er zijn geen zwarte schaduwen, er is alleen de grote spiegel van de Atlantische Oceaan - you immediately see the point of Ben Nicholson”.

Werkelijk? Serota klaagt dat de St Ives School - naast Nicholson en Hepworth in een volgende generatie vooral gesymboliseerd in kunstenaars als Heron en Peter Lanyon (1918-1964) - in Europa (nog) niet de erkenning krijgt die zij verdient. De waardering voor dit hoogtepunt van de abstracte beweging in de Britse schilder- en beeldhouwkunst is in de Verenigde Staten veel hoger, dankzij het missiewerk dat de British Council in de jaren na de oorlog voor de schilders van St Ives heeft bedreven. Zo heeft Patrick Heron uitgerekend dat van de 51 eenmanstentoonstellingen van Britse kunstenaars, die er in de periode 1943-1965 in de VS gehouden werden, 30 te maken hadden met het werk van een artiest uit de St Ives-clan. Van de overige 21 waren er 7 uitsluitend aan Henry Moore gewijd. Al die exposities zijn in Engeland zelf niet te zien geweest en daarom ook niet onder het bereik van Europese liefhebbers gekomen.

Maar Serota speelt hoog spel, wanneer hij het opneemt voor de kwaliteit van het werk van Nicholson en Hepworth op een moment dat daarachter in Groot-Brittannië vraagtekens worden gezet. Vooral Hepworth, een academiegenote van Henry Moore in Leeds en later de tweede echtgenote van Ben Nicholson, is aan een herwaardering onderhevig. Dat is des te pijnlijker, nu de Tate Gallery St Ives ook haar voormalige huis en werkplaats in het vissersdorp in beheer heeft genomen, dat onder de naam Barbara Hepworth Museum een monument voor haar werk moet zijn. Twee prominente kunsthistorici hebben heiligschennis gepleegd door openlijk uit te spreken dat ze haar werk allerminst "groots' vinden - ja zelfs "saai'.

Daarnaast heeft een collega-beeldhouwer van Hepworth en Nicholson uit St Ives, de nu 80-jarige Sven Berlin, na dertig jaar eindelijk een boekje open gedaan over de manier waarop Nicholson en Hepworth roem najoegen ten koste van het werk van anderen. Berlin maakt aannemelijk dat Hepworth plagiaat pleegde van het werk van Naum Gabo, de uit Rusland afkomstige constructivist die aan het eind van de jaren dertig met Pieter Mondriaan naar Engeland kwam en daar met zijn werk een schokeffect tweeg bracht. Gabo werd als gast van de Nicholsons, die toen nog geen bekendheid hadden als makers van abstracte kunst,in St Ives gentroduceerd. Hepworth wordt verweten dat ze ideeën (een ei van perspex en gekruiste snaren) van Gabo pikte en in 1946 het tijdstip van een expositie in Londen zo manipuleerde, dat Gabo daardoor de imitator leek van haar werk. Volgens Berlin leidde dat ertoe dat een woedende Gabo Engeland verliet om zich in Amerika aan te sluiten bij vluchtelingen als Mondriaan, Miró en Dali, daarmee in Engeland de baan vrijmakend voor een beweging geleid door Hepworth en Nicholson.

De publikaties hebben geleid tot suggesties als zou er een soort informele Tate-mafia bestaan, die het werk van ook andere (abstracte) kunstenaars uit de St Ives School een betekenis toedicht, die achteraf betwist kan worden. Achtereenvolgende directeuren van de Tate Gallery hebben allen onmiskenbaar welwillend naar de kunstenaars in en om St Ives gekeken, Nicholas Serota niet uitgezonderd.

Cirkeltje

Wat het nog ingewikkelder maakt, is dat de voormalige voorzitter van de Tate Gallery, Sir Alan Bowness, getrouwd is met Sarah Hepworth, een dochter van de beeldhouwster. Sir Alan speelde een belangrijke rol in de beslissing om het Barbara Hepworth Museum in St Ives in 1981 aan de Tate Gallery over te dragen. Het cirkeltje wordt nog kleiner door het feit dat Sir Alan ook voorzitter is van de Henry Moore Foundation, beheerder van een jaarlijks te verdelen fonds van zo'n 8 miljoen gulden bestemd om de beeldhouwkunst te bevorderen. De Henry Moore Foundation heeft op haar beurt weer bijgedragen (ruim 600.000 gulden) aan de bouw van de Tate in St Ives.

Hoe het zij: het nieuwe museum staat er en volgens Serota zal het zelfs diegenen voor zich innemen, die in het geheel niet in moderne kunst zijn genteresseerd. Degenen die er wel in zijn genteresseerd moeten zich tevreden stellen met welgeteld 65 schilderijen en 17 beeldhouwwerken, verdeeld over een drietal verdiepingen. De Independent on Sunday's Tim Hilton vond het “een zwakke collectie” en andere recensenten waren al evenmin onverdeeld enthousiast.

Het aardige van de komst van het museum op deze verre landtong blijft echter dat het opeens zin en samenhang geeft aan de talrijke galeries en kunstenaarsstudio's elders op het schiereiland van Penwith (West Cornwall). In het museum van Penzance is een collectie te zien van de naar het-harde-leven-in-de-open-lucht geschilderde werk van een eerdere kunstenaarskolonie, die zich vanaf circa 1880 manifesteerde als de Newlyn School. Hier hangt - de andere kant van een vakantie in Cornwall - het plaatselijk bekende schilderij van Norman Garstin, in voornamelijk regengrijs, met de titel "The Rain it Raineth'. Net als in St Ives heeft de beweging haar sporen nagelaten in talrijke galeries voor moderne kunst, zoals de Newlyn Art Gallery (installaties). Even buiten St Ives is nog het oorspronkelijke atelier van de pottenbakker Bernard Leach, die andere grondlegger van de St Ives School, te bezoeken. Leach's weduwe, de vervaarlijke Janet Leach (werk van haar is opgenomen in de collectie van het museum Boymans-Van Beuningen) werkt daar nog steeds als pottenbakster, samen met een collega, Trevor Corser. Opgeteld kan deze uithoek van Engeland nu op 5 musea, 12 commerciële kunstgalerieën en zo'n 400 beroepskunstenaars bogen. Meer dan 250 van hen stonden werk af, dat door het plaatselijk actiecomité geveild is om aan de komst van de Tate te kunnen bijdragen. En dan is er op deze laatste voorpost voor Amerika nog wat het mooiste theater van NoordWest-Europa moet zijn: het door de Victoriaanse Rowena Dane in de rotsen uitgehakte Minnack Theatre met podium op de rand van de klip en de hele Atlantische Oceaan als achtergrond. Daar dartelen in de verte de dolfijnen in de avondzon, zodat de kwaliteit van de toneelproduktie absoluut niet ter zake doet. Tenzij the rain it raineth natuurlijk.