Hersenspoeling

Een roomse opvoeding, wat komt daarbij in de gedachten? “Voetballende paters, arglistige biechtvaders, verboden boeken, geniepige verklikkers, bekrompen fanatisme, kwaadaardige schijnheiligheid, baden met kleren aan en meer van zulke dingen.” Toch vindt Kees Fens dat er niets boven een gedegen, roomse opvoeding gaat. Hoe kan dat?

In Herinneringen aan mijn roomse jeugd van Mary McCarthy, schreef Kees Fens in zijn boekenrubriek van Maandag vorige week, "staat de schitterende en zeer juiste opmerking dat niets beter is dan een ouderwetse, gedegen roomse opvoeding'.

Ik las het met een mengeling van schrik en bewondering. In mijn kinderjaren leek het mij altijd dat katholieken zich schaamden om katholiek te zijn, als ware het iets dat in fatsoenlijke families niet voorkwam.

Natuurlijk begreep ik al gauw dat dat niet waar kon zijn, maar ook later werd ik nog wel eens aan die gedachte herinnerd, zoals toen ik op de middelbare school kennismaakte met dat agressieve gedicht van Anton van Duinkerken, met de telkens terugkerende regel: "Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek!' Dat zegt iemand niet als hij zich er niet heimelijk voor schaamt, dacht ik toen ik dat las en ook nu nog roept die regel visioenen bij mij op van een corpulente en overvloedig zwetende man (zoals een Hollander in Indië) die je bij een knoop van je jasje vasthoudt en je met een overvloed van druppeltjes speeksel die zin in je gezicht schreeuwt. Waarom, vanwaar die kreet? Het heeft het uitdagende van iemand die weet dat wat hij zegt choqueert, alsof iemand zou roepen: daarom, meneer, noem ik mij nationaal-socialist, of iets van vergelijkbare onoorbaarheid: op die plaats een neutraal woord invullen is onmogelijk.

Is het als gevolg van die associaties, dat ik deze uitspraak van Kees Fens ook nu nog niet zonder een vaag gevoel van gêne kan lezen? Ik bewonder zijn moed om het uit te spreken, maar vraag me ook af wat hij er precies mee bedoelt.

Het is dankzij de boeken van Gerard Reve dat ik iets heb leren begrijpen van de overgave aan een mysterie en aan het ritueel van een katholieke kerkdienst, maar dan ook alleen maar dankzij de manier waarop hij er over schrijft, en dan nog niet onmiddellijk. Pas later is mij duidelijk geworden dat wat ik aanzag voor ironie of zelfs scepsis in feite een manier is, misschien wel de enige, om aan die gevoelens uiting te geven - een soort eufemismen verwant aan galgenhumor, toegang gevend tot een vorm van troost die voor mij niet weggelegd is. Wat de rest (in de zin van de praktijk) betreft blijft mijn geest hangen aan de versierde buitenkant: de wierook, de kleuren, de gewaden, het Gregoriaans, de gouden lovertjes, het Sinterklaasachtige - kortom dat wat kinderen doet vragen: papa, mogen we katholiek worden, zoals Carmiggelt eens beschreven heeft. Om daar toegang toe te hebben moet je ook misschien inderdaad als kind in die sfeer zijn grootgebracht, maar het valt intussen wel op dat Reve, de enige schrijver die over de katholieke kerk schrijft op een manier die bij mij geen weerzin oproept, nu juist niet het produkt is van een roomse opvoeding.

Maagd Maria

Wat mij bij zo'n opvoeding voor de geest komt is helaas ook sterk gekleurd door de niet al te opwekkende verhalen die ik in de loop der tijden vernomen heb van geliefden en kennissen die zo'n roomse opvoeding aan de lijve hebben ondervonden. Het beeld dat bij mij van hun belevenissen is blijven hangen wordt aardig weergegeven door het verhaal van het joodse jongetje op een katholieke kostschool, dat antwoordt, wanneer hij iets moet beschrijven dat hij ziet: mijn verstand zegt mij dat het een eekhoorntje is, maar 't zal de Maagd Maria wel weer zijn. Het decor bestaat uit grauwe bakstenen neogotiek met sombere binnenplaatsen, voetballende paters, rozenhoedjes, zoetelijke taal, arglistige biechtvaders, verboden boeken, geniepige verklikkers, bekrompen fanatisme, kwaadaardige schijnheiligheid, baden met kleren aan en meer van zulke dingen; kortom het model van een preutse en achterbakse politiestaat zoals dat ook bekend is uit de overvloedige literatuur die over dit onderwerp bestaat, met inbegrip van het door Fens genoemde boek van Mary McCarthy.

Het meest aangrijpende op dit gebied is het twintig jaar eerder dan McCarthy's Herinneringen aan mijn roomse jeugd verschenen Frost in May van Antonia White. In dit boek wordt op sublieme en kristalheldere wijze beschreven wat het doel van dit onderwijs en deze opvoeding is: het onderdrukken van de kritische geest en het breken van de wil. Frost in May, dat wel is beschreven als "a lyrical account of the death of a soul', is de geschiedenis van een meisje op het Convent of the Five Wounds, een katholieke kostschool in Engeland, ook bekend als "Lippington'. Zij is niet een narcistisch miskend genie zoals zo vaak in autobiografische romans van mindere allure, en ook niet iemand met neigingen tot martelaarschap, maar gewoon een intelligent en levendig kind. Het conflict dat zich ontwikkelt is ook niet een geloofsconflict; haar geloof is niet in het geding. Maar het is buigen of barsten en het wordt barsten: er wordt haar tenslotte de zwaarste straf opgelegd die op een dergelijke instelling mogelijk is: zij wordt weggestuurd. Wat in het geding is, wordt duidelijk omschreven in wat het hoofd van de school, Mother Radcliffe, aan het eind van het boek tegen haar zegt:

"God asks very hard things from us,' she said, "the sacrifice of what we love best and the sacrifice of our own wills. That is what it means to be a Christian. For years, I have been watching you, Nanda. I have seen you growing up, intelligent, warm-hearted, apparently everything a child should be. But I have watched something else grow in you, too - a hard little core of self-will and self-love. I told you once before that every will must be broken completely and re-set before it can be at one with God's will. And there is no other way. That is what true education, as we understand it here at Lippington, means. Real love is a hard taskmaster, and the love of God is the hardest taskmaster of all. I am only acting as God's instrument in this. I had to break your will before your whole nature was deformed.'

Het tragische van de straf is gelegen in het feit dat haar geest gevormd is door de school, en uitsluiting is voor haar niet een bevrijding maar integendeel iets ondragelijks, een hartverscheurende ballingschap, op een manier die goedbeschouwd alleen een parallel heeft in de uitsluiting van trouwe communisten uit de Partij: "..even now, in the shock of the revelation of her dependence, she did not realize how thoroughly Lippington had done its work. But she felt blindly she could only live in that rare, intense element.'

Het is deze double bind, die combinatie van het breken van iemands wil en het creëren van een levenslange afhankelijkheid, een soort hersenspoeling, die in mijn ogen een nogal redelijke grond is om de waarde van een "ouderwetse, gedegen roomse opvoeding' in twijfel te trekken. Je zou integendeel alles in het werk stellen om je kinderen van zoiets te vrijwaren. Ik kan niet aannemen dat Fens de literatuur hierover en dit boek in het bijzonder niet kent; vandaar dat ik mij verbaas over die uitspraak en mij afvraag hoe hij die zou kunnen motiveren. Is het een manifestatie van die afhankelijkheid zelf? Ook Antonia White is op latere leeftijd weer in de schoot van de heilige Moederkerk teruggekeerd.

Het lijkt mij dat niemand die eerlijk en te goeder trouw is getuigenissen als deze af kan doen als lasterlijk, vertekend, propagandistisch, athestisch, anti-religieus of iets dergelijks. Het gaat niet om een opstand tegen het geloof, maar om een soort misvorming die een naar ik meen herkenbaar en bekend produkt oplevert; bisschop Gijsen is er een voorbeeld van, maar ook een bepaald type afvalligen, het soort dweepzieke Nijmeegse ijveraars dat Renate Rubinstein eens heeft gekenschetst als "dolende ex-katholieken op zoek naar nieuwe vormen van onverdraagzaamheid,' (of woorden van dezelfde strekking).

Het kan niet anders dan dat Kees Fens van dit alles op de hoogte is: hij moet er dus een antwoord op hebben; maar ik kan mij er geen voorstelling van maken.