Grensoverschrijdende dienstverlening?

Volgens het EEG Verdrag moet grensoverschrijdende dienstverlening zoveel mogelijk vrij zijn. Met ”dienstverlening' bedoelt men doorgaans commerciële activiteiten of transacties in verband met onzichtbare goederen, zoals het aanbieden van verzekeringen of kredietverlening. En het EEG Verdrag heeft de lid-staten met name de verplichting opgelegd beperkingen op het vrij verrichten van diensten op te heffen “ten aanzien van de onderdanen der lid-staten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht”.

Zo gezien lijkt de vrijheid van dienstverlening vooral te zijn bedoeld voor degene die zich naar een andere lid-staat begeeft om daar diensten aan te bieden, zoals bij voorbeeld het geval is bij een Duitse advocaat die af en toe ook in Amsterdam praktijk zou uitoefenen. In het verleden heeft het EG Hof evenwel herhaaldelijk beslist dat het vrije dienstenverkeer ook betrekking heeft op het omgekeerde geval, waarin de ontvanger van een dienst zich naar de lid-staat van de dienstverlener begeeft. Dat geval doet zich bij voorbeeld voor wanneer men vanuit Nederland speciaal naar Engeland reist voor het ondergaan van een medische behandeling, maar ook wanneer men als toerist een dagje Parijs doet; de dienstverlener is dan degene die opereert of horeca-faciliteiten aanbiedt.

Er is nog een derde categorie van gevallen die van het vrije verkeer van diensten kan profiteren: niet de ontvanger of de verlener van de dienst, maar alleen de dienst zelf overschrijdt de grens. Tot deze categorie behoort bij voorbeeld grensoverschrijdend omroepverkeer. Aldus stromen de beelden van RTL-4 ongehinderd Nederland binnen.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven - van oudsher hofleverancier van leuke zaken - heeft het EG Hof zojuist met een nieuw praktijkgeval geconfronteerd: ”cold calling'. Daarmee bedoelt men ongevraagde telefonische colportage van doorgaans onduidelijke herkomst over een doorgaans al even onduidelijke financiële transactie. In Engeland is deze vorm van opdringerigheid verboden, maar dat is in lang niet alle lid-staten van de EG het geval. In Nederland is wel het besluit genomen ”cold calling' te verbieden. Men acht de daarbij gangbare verkooptechnieken te agressief en wenst een en ander te bestrijden, mede ter bescherming van de reputatie van de Nederlandse financiële dienstverlening.

Het verbod wordt sedertdien in de praktijk afgedwongen via een vergunningenbeleid. Zo mogen effektenbemiddelaars in of vanuit Nederland niet zonder vergunning van het ministerie van financiën diensten aanbieden. En zo'n vergunning wordt alleen gegeven onder het beding dat men (potentiële) cliënten alleen dan telefonisch mag benaderen, wanneer deze daarmee vooraf uitdrukkelijk hebben ingestemd.

Tegen juist dit beperkende voorschrift tekende een financiële onderneming beroep aan. Men stelde dat het verbod van ”cold calling' een belemmering vormde voor het benaderen van in andere lid-staten gevestigde potentiële cliënten. En met een beroep op rechtspraak van het EG Hof werd hier nog aan toegevoegd dat dienstverleners gebonden mogen worden aan de regels van het land waar zij de betrefende dienst verlenen. In dit geval was dat niet Nederland, omdat men met ”cold calling' juist doende was de betrokken dienst - bemiddeling bij een financiële transactie - te exporteren. En aan dié export van dienstverlening, aldus de onderneming, kan de Nederlandse overheid niet zo maar beperkende voorwaarden stellen.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven besloot daarop aan het EG Hof allereerst de vraag voor te leggen of ”cold calling' vanuit Nederland wel dienstverlening is in de zin van het EEG Verdrag. Immers, noch de ontvanger noch de verlener van de betreffende dienst verplaatsen zich. En kun je nu zeggen dat bij ”cold calling' van grensoverschrijdende dienstverlening sprake is, als de dienst - bemiddeling - vanuit Nederland wordt verricht, maar telefonisch aan ingezetenen van andere lid-staten wordt aangeboden? Voor het geval het EG Hof deze vraag bevestigend zou beantwoorden, wil het College van Beroep in de tweede plaats weten of bij export van dienstverlening de dienstverrichter gehouden mag worden aan de eisen van de lid-staat waar deze is gevestigd, en zo ja, of het Nederlandse verbod op ”cold calling' een geoorloofd verbod is.

Het is inmiddels nog maar de vraag of het EG Hof aan al deze aspekten van de zaak toekomt. Daarvoor zal het toch eerst moeten beslissen dat ongevraagde telefonische colportage in dit soort gevallen als dienstverlening kan worden aangemerkt. Alle partijen zijn het erover eens dat advies- en bemiddelingswerk op het terrein van beleggingen en andere financiële transacties dienstverlening is. Maar ”cold calling' is, zou men kunnen zeggen, eerder een verkooptechniek, die men bij dienstverlening kan hanteren, dan de dienst zelf.

Als het EG Hof de eerste vraag van het College van Beroep bevestigend beantwoordt, betekent dit dat men puur nationale dienstverlening grensoverschrijdend kan maken door verkooptechnieken te kiezen die grensoverschrijdend zijn. En dat zou het EG-recht op het gebied van dienstverlening een enorme uitstraling geven, die het tot dusverre nog niet heeft gehad. Er is dus reden om de beslissing van het Hof met belangstelling tegemoet te zien. En met groot ongeduld, want het EG Hof pleegt daarvoor langzamerhand zo'n anderhalf jaar nodig te hebben. Maar dat is een ander verhaal.