Flamingo

Flamingo's zijn een beetje een puzzel. Meestal zie je ze waden en wadende flamingo's zijn hopeloos geassocieerd met de dierentuin. Aan de grond blijven ze onherroepelijk in een sfeer van domme ornamenten.

Je moet ze dus zien vliegen. Dan vertonen ze de maximale merkwaardigheid van hun lengte. Dan is er een bamboe-achtige buigzaamheid. Dan is er het vrijpostige rood op hun vleugels - scharlakenrood, zegt de gids en dat herinnert aan bijbelse tijden, het ware geloof.

Dan zie je dat er in flamingo's echte vogels zitten.

De avond viel. Het was droog. De hemel hinkte op twee gedachten: een pikzwart onweer aan de ene, een fletse zonsondergang aan de andere kant.

We stonden op de oever van een grote plas. Er werden stoeltjes uitgeklapt, tafels opgezet. Er was nog stokbrood zat. En koffie, thee en jam. En pindakaas, chocopasta, camembert.

Henk kwam bij me staan. Hij wees op de vocalen die ontstegen aan een nabije rietkraag. Een mateloos geblaat, een trillend lachgeluid, het kraakje van een nieuwe schoen. Boomkikker, groene kikker, groengestipte kikker.

Toen klonk het hoempen van een roerdomp, zo dichtbij dat je onder dat gehoemp zijn adem hoorde blazen.

En vliegende flamingo's. In eindeloze slierten trokken ze van hun dag- naar nachtverblijf. Dan zie je wezens met een wil.